De straat waar ik woon is een mooie straat en ze is ook behoorlijk lang. Hoeveel strekkende meters weet ik niet, ik heb ze nooit geteld. Ik zou haar best eens op de kilometerteller in de auto kunnen meten maar ik doe het niet. Ik zou haar huisnummers kunnen tellen, maar ook dat doe ik niet. Ik hou niet van tellen, dat merk je aan mijn bankrekening. Zelfs op mijn liefdes weiger ik een getal te plakken. Wanneer iemand mij vraagt hoeveel lieven ik had, dan komen er orakels uit mijn mond, rebussen of gevleugelde ingevingen van het moment. Ik meet ze liever in Celsius of in millibar.
Van mijn straat ken ik wel de duur. Ze duurt ongeveer twee minuten per auto, tien op een damesfiets en een half uur te voet, van haar begin tot haar einde of van einde tot begin.
Ik woon er negen jaar, vier maanden en één dag. Zevenendertig seizoenen dus, als ik juist tel en vier maal negen plus vier nog altijd zevenendertig is.
Mijn straat is een straat met reliëf, met hoogtes en laagtes, alle fietsversnellingen komen er aan te pas. Ze traint je longen en je beenspieren, ze laat je zweten maar ook ongeremd bergaf draven. Daarom heet ze geen straat, maar dreef. Iets dat je haren laat wapperen en je hart sneller doet slaan.
Ze is ook heel smal en ze slingert hier en daar een beetje met een air van natuurlijke elegantie. Ik ben trots dat ik haar bewoon en bewandel. Tuurlijk heeft ook zij haar kleine kantjes, maar geloof me, die wegen niet op tegen haar potentieel aan betovering.
Zij is dan ook bijzonder populair bij alle soorten van toeristen. Weekendwandelaars uit de stad, wielerterroristen, Hells Angels en Old Timers. Allemaal willen ze hier passeren in hun vrije uur. Want mijn straat geeft je een gevoel van vrijheid, een zweempje teloorgaande poëzie maar haar populariteit zorgt voor overlast. Hinderlijke geluiden, gassen in de lucht, platgereden poezen, plastic flessen, zelfs bekakte pampers in haar bermen. Het is niet haar schuld, de enige schuld die haar treft is die van bekoorlijk te zijn.
Ze is rijk aan variatie. Huizentrosjes met of zonder voortuintjes, weiden, paarden, kippetjes, koetjes en zelfs een heus bos dat ze in twee bosjes splijt. Aan weerskanten een witblauw tapijt van anemoon en boshyacint in de lente, ’s zomers een groen vogelparadijs, bruinrood palet in de herfst, en ’s winters…ach, ’s winters ligt het niet aan haar maar aan mij.
Haar bewoners groeten elkaar met een knik, met een zwaai of met een lachje van erkenning. Zelden met een kus. Wij zijn van weinig woorden maar van sprekende blikken. Wij zien van ver hoe onze mutsen staan. Wij weten wat zwijgen is.
Ik hou van mijn straat en ik durf soms wel eens denken dat zij van mij houdt. Andere straten die ik heb bewoond, hebben me nooit zo tevreden gemaakt.
Maar ergens voel ik dat wij niet lang meer zullen duren, dat er een einde komt aan ons verbond. Vraag me niet waarom. Er hangt iets in de lucht, iets van noodlot, iets dat in halve tonen zingt: ‘mooie liedjes duren zelden langer dan dit’.
Masjenka
woensdag 4 november 2009
dinsdag 25 augustus 2009
Summertime
De zomer was zo heet dat zelfs het koren smolt, wat men normaal van koren niet zou verwachten. Heet koren vat vlam, maar smelten doet het niet.
Water kwam uit druppelglaasjes, met mondjesmaat. Wijn en bier regeerden, de nadorst was groot, bij valavond zat je al met de kater van de morning after.
Niets of niemand had nog zin om te groeien, behalve de distels en de auto-industrie. Pruimen hingen gedroogd aan de pruimelaar en de appels hadden rimpels. Kakkerlakken koloniseerden het containerpark.
Koeien herkauwden smeltend koren tot in den treure, hun uiers zochten naar een functie.
Er was geen wind, de zeilen bliezen uit, de bomen zwegen. Alles zweeg, het had zijn voordeel. Alleen, het zingen miste ik.
Zweet en tranen waren dampkring, we waren pekelharingen in de put van vrouw Holle. De koelkast werd onze beste vriend. Haar industrie groeide onbewust en airco’s uit Australië floreerden. Wat waren we milieubewust.
Er waren paarden en schapen die stierven bij gebrek aan stal en schaduw, want mensen, zie wat jullie met schapen en paarden durven doen.
Boeken brachten verkoeling bij het bladeren, en bladeren hielden zich vast aan de takken van de bomen. Zelfs cirkels bleven niet rond, ze hingen als ellipsen aan hun wasdraden die van zichzelf al uitgerekt waren.
Mollen en vleermuizen bleven blind, zoals alles wat onder de grond leeft of in kerktorens zucht.
En ik? Ik vervloekte de zon en telde de bloedende seconden van mijn dagen tot het grote onweer. Tot de verlossende regenval.
Water kwam uit druppelglaasjes, met mondjesmaat. Wijn en bier regeerden, de nadorst was groot, bij valavond zat je al met de kater van de morning after.
Niets of niemand had nog zin om te groeien, behalve de distels en de auto-industrie. Pruimen hingen gedroogd aan de pruimelaar en de appels hadden rimpels. Kakkerlakken koloniseerden het containerpark.
Koeien herkauwden smeltend koren tot in den treure, hun uiers zochten naar een functie.
Er was geen wind, de zeilen bliezen uit, de bomen zwegen. Alles zweeg, het had zijn voordeel. Alleen, het zingen miste ik.
Zweet en tranen waren dampkring, we waren pekelharingen in de put van vrouw Holle. De koelkast werd onze beste vriend. Haar industrie groeide onbewust en airco’s uit Australië floreerden. Wat waren we milieubewust.
Er waren paarden en schapen die stierven bij gebrek aan stal en schaduw, want mensen, zie wat jullie met schapen en paarden durven doen.
Boeken brachten verkoeling bij het bladeren, en bladeren hielden zich vast aan de takken van de bomen. Zelfs cirkels bleven niet rond, ze hingen als ellipsen aan hun wasdraden die van zichzelf al uitgerekt waren.
Mollen en vleermuizen bleven blind, zoals alles wat onder de grond leeft of in kerktorens zucht.
En ik? Ik vervloekte de zon en telde de bloedende seconden van mijn dagen tot het grote onweer. Tot de verlossende regenval.
vrijdag 14 augustus 2009
Wie last heeft van hemorroïden lijdt in stilte..
‘Kijk jongen’, zei Erik Gustavson tegen de kleine Mats. ‘Hier zie je een duidelijk voorbeeld van sublimatie’.
Erik strekte zijn stramme armen naar de bovenste bloem op een lange stokroos uit. Hij glimlachte.
Hij boog de stokroos met de bloem naar het kleine gezichtje van de kleine Mats en zei :’Kijk Mats, kijk jongen…kijk…wat zie je?’.
‘Ik zie een beest Erik, een beest! En het heeft haartjes!’.
‘Omdat dat beest een bij is jongen. Hier zien we een wezenlijk verschil tussen de bij en de wesp. De bij heeft haartjes, de wesp heeft er geen’.
‘Ben jij een wesp Erik?’.
‘Neen jongen ik ben geen wesp. Ik ben een mens. Maar nu je ‘t vraagt, wat voor een mens ben ik eigenlijk Mats? Een mens die veel denkt , denk ik. En daar valt je haar wel eens van uit. Maar wat zie je nog Mats?’.
‘Ik zie vleugeltjes’.
‘Dat heb jij goed gezien jongeman, bijen hebben vleugeltjes, wespen ook. Dus daar heb je alweer een bewijs dat ik geen wesp ben. Ik heb geen vleugeltjes. Maar wat zie je nog?’.
‘Het maakt lawaai Erik! Het maakt lawaai!’.
‘Maar wat zié je nog Mats? Buiten die bij die lawaai maakt met haar vleugeltjes...’
‘Oh ja, nu zie ik het Erik! Ik zie een bloem, een bloem met rode blaadjes’.
‘Het zijn roze blaadjes Mats, rood is donkerder dan roos, zoals die rode petunia’s daar..zie je ze Mats?’
‘Ik zie tante Frida wuiven achter de rode punia’s Erik’.
‘Maar wat zie je in deze roze bloem hier Mats? Kijk, wat doet die bij precies?’
‘De bij plakt aan de bloem en ze maakt lawaai’.
‘Plakt de bij echt aan de bloem, Mats? Kijk goed en denk goed na. Waaraan plakt de bij?’.
‘Van denken valt ons haar uit Erik’.
‘Niet bij iedereen jongen, niet bij iedereen. En er zijn ook mensen die zonder denken hun haar verliezen hoor. Kijk maar naar Hölle Frasen bijvoorbeeld, van zijn twintigste geen haar meer op zijn kop, maar ik zweer je dat hij nooit een originele gedachte heeft gedacht. Puur kuddegevoel Mats, puur kudde…’.
‘Doet dat pijn Erik?’.
‘Wat jongen?’.
‘Dat denken?’.
‘Soms doet het pijn ja. Maar smart kan je ’t niet noemen. ‘t Is eerder iets als zadelpijn onder je schedel, soms als een schop tegen je schenen in een voetbalmatch tussen twee gedachteploegen. Hoe kan ik jou dat uitleggen Mats, hoe kan ik het uitleggen…’.
‘Tante Frida wuift weer…’.
‘Je hoeft nooit bang te zijn van denken lieve jongen, integendeel weet je…je bent geen bij of geen hond, je bent een mens. Begrijp je me Mats, een mens. En er zijn dingen die veel meer pijn doen dan denken…’.
Erik strekte zijn stramme armen naar de bovenste bloem op een lange stokroos uit. Hij glimlachte.
Hij boog de stokroos met de bloem naar het kleine gezichtje van de kleine Mats en zei :’Kijk Mats, kijk jongen…kijk…wat zie je?’.
‘Ik zie een beest Erik, een beest! En het heeft haartjes!’.
‘Omdat dat beest een bij is jongen. Hier zien we een wezenlijk verschil tussen de bij en de wesp. De bij heeft haartjes, de wesp heeft er geen’.
‘Ben jij een wesp Erik?’.
‘Neen jongen ik ben geen wesp. Ik ben een mens. Maar nu je ‘t vraagt, wat voor een mens ben ik eigenlijk Mats? Een mens die veel denkt , denk ik. En daar valt je haar wel eens van uit. Maar wat zie je nog Mats?’.
‘Ik zie vleugeltjes’.
‘Dat heb jij goed gezien jongeman, bijen hebben vleugeltjes, wespen ook. Dus daar heb je alweer een bewijs dat ik geen wesp ben. Ik heb geen vleugeltjes. Maar wat zie je nog?’.
‘Het maakt lawaai Erik! Het maakt lawaai!’.
‘Maar wat zié je nog Mats? Buiten die bij die lawaai maakt met haar vleugeltjes...’
‘Oh ja, nu zie ik het Erik! Ik zie een bloem, een bloem met rode blaadjes’.
‘Het zijn roze blaadjes Mats, rood is donkerder dan roos, zoals die rode petunia’s daar..zie je ze Mats?’
‘Ik zie tante Frida wuiven achter de rode punia’s Erik’.
‘Maar wat zie je in deze roze bloem hier Mats? Kijk, wat doet die bij precies?’
‘De bij plakt aan de bloem en ze maakt lawaai’.
‘Plakt de bij echt aan de bloem, Mats? Kijk goed en denk goed na. Waaraan plakt de bij?’.
‘Van denken valt ons haar uit Erik’.
‘Niet bij iedereen jongen, niet bij iedereen. En er zijn ook mensen die zonder denken hun haar verliezen hoor. Kijk maar naar Hölle Frasen bijvoorbeeld, van zijn twintigste geen haar meer op zijn kop, maar ik zweer je dat hij nooit een originele gedachte heeft gedacht. Puur kuddegevoel Mats, puur kudde…’.
‘Doet dat pijn Erik?’.
‘Wat jongen?’.
‘Dat denken?’.
‘Soms doet het pijn ja. Maar smart kan je ’t niet noemen. ‘t Is eerder iets als zadelpijn onder je schedel, soms als een schop tegen je schenen in een voetbalmatch tussen twee gedachteploegen. Hoe kan ik jou dat uitleggen Mats, hoe kan ik het uitleggen…’.
‘Tante Frida wuift weer…’.
‘Je hoeft nooit bang te zijn van denken lieve jongen, integendeel weet je…je bent geen bij of geen hond, je bent een mens. Begrijp je me Mats, een mens. En er zijn dingen die veel meer pijn doen dan denken…’.
dinsdag 14 juli 2009
Stroop
In de vitrine van de bakker zag ik een fruittaart liggen die sprekend op mijn grootvader leek. Althans van ver, zoals je in wolken een gezicht kan zien.
‘Dag pépé’, zei ik, ‘mag ik nog eens op je knie komen zitten om hobbelpaardje te spelen?’.
‘Dag pépé’, zei ik, ‘mag ik nog eens op je knie komen zitten om hobbelpaardje te spelen?’.
Maar de taart antwoordde niet. Of misschien antwoordde ze wel, kon ik haar niet horen omdat ze achter glas zat en omdat er naast de bakkerij een betonmolen draaide. Want dat is wat betonmolens doen, luidruchtig draaien. Had er een windmolen gestaan, dan had die taart mij wel gehoord. Dan strekte haar mond van frambozen zich nu tot een glimlach en gingen haar druivenoogjes blinken zoals die van pépé.
Ik ging naar binnen, er waren drie klanten voor me. Een meisje met een neusring dat twee koffiekoeken kocht, een magere meneer die om zijn stokbroodje kwam en een mollige dame die een koffiekransje had. Ze stond de ganse tijd naar de taarten te staren als een kat naar een partij muizen, gebiologeerd. Wie van jullie zal het worden? Jij daar, lekkere witte Brésilienne met je slagroomtoefjes? Of jij, zwarte Charlotte met je blinkend chocoladeglazuur? Of jij misschien, fruitig toetje met je frambozenmondje, je bananenneus en je druivenoogjes?’
Ik tikte de dame op een schouder, linker of rechter, wat doet het er toe.
‘Ken ik u ergens van?’ vroeg ze.
Ik zei dat ik het niet wist, maar dat alles mogelijk is natuurlijk. Als taarten zelfs grootvaders kunnen zijn, waarom zou zij mij dan niet ergens van kennen?
‘Weet u al welke taart u gaat kopen?’ vroeg ik haar.
Ze wilde ze allemaal kopen want haar koffiekransje telde maar liefst vijftien calorierijke dames met zoete tanden.
Ik vroeg haar beleefd, met humor en met tact, om de fruittaart aan mij over te laten maar ze had er haar zinnen al op gezet en zij was eerst. En wie eerst is, heeft de eerste keus, heeft recht op alles. Wat een vreemde wet die er onder de mensen heerst.
Dus wendde ik mij tot de leugen en ik zei dat mijn lieve moeder diabetes had en dat ze enkel fruittaart kon eten. Vooral met frambozen, bananen en druifjes. Want had ik haar de waarheid verteld, dat die taart het gezicht van mijn grootvader had, dan…
Ik nam de taart mee naar huis en ik bewaar haar in de koelkast. Tot op heden heeft ze nog niet geglimlacht. Maar ze krijgt wel al een beetje baard. Want ‘een kusje zonder baard, is als een eitje zonder zout’, is wat pépé altijd zegde toen we hobbelpaardje speelden.
Ik ging naar binnen, er waren drie klanten voor me. Een meisje met een neusring dat twee koffiekoeken kocht, een magere meneer die om zijn stokbroodje kwam en een mollige dame die een koffiekransje had. Ze stond de ganse tijd naar de taarten te staren als een kat naar een partij muizen, gebiologeerd. Wie van jullie zal het worden? Jij daar, lekkere witte Brésilienne met je slagroomtoefjes? Of jij, zwarte Charlotte met je blinkend chocoladeglazuur? Of jij misschien, fruitig toetje met je frambozenmondje, je bananenneus en je druivenoogjes?’
Ik tikte de dame op een schouder, linker of rechter, wat doet het er toe.
‘Ken ik u ergens van?’ vroeg ze.
Ik zei dat ik het niet wist, maar dat alles mogelijk is natuurlijk. Als taarten zelfs grootvaders kunnen zijn, waarom zou zij mij dan niet ergens van kennen?
‘Weet u al welke taart u gaat kopen?’ vroeg ik haar.
Ze wilde ze allemaal kopen want haar koffiekransje telde maar liefst vijftien calorierijke dames met zoete tanden.
Ik vroeg haar beleefd, met humor en met tact, om de fruittaart aan mij over te laten maar ze had er haar zinnen al op gezet en zij was eerst. En wie eerst is, heeft de eerste keus, heeft recht op alles. Wat een vreemde wet die er onder de mensen heerst.
Dus wendde ik mij tot de leugen en ik zei dat mijn lieve moeder diabetes had en dat ze enkel fruittaart kon eten. Vooral met frambozen, bananen en druifjes. Want had ik haar de waarheid verteld, dat die taart het gezicht van mijn grootvader had, dan…
Ik nam de taart mee naar huis en ik bewaar haar in de koelkast. Tot op heden heeft ze nog niet geglimlacht. Maar ze krijgt wel al een beetje baard. Want ‘een kusje zonder baard, is als een eitje zonder zout’, is wat pépé altijd zegde toen we hobbelpaardje speelden.
zaterdag 11 juli 2009
Dokter Zjivago
Ik ben zo romantisch. Ik ben een mens met achtergrondviolen en geparfumeerde riolen. Maar in het echte leven stink ik, denk ik helder, zie ik scherp en praat ik troebel, want dat rijmt op roebel.
Opgejaagd wild. De bajonet vanachter, vraagtekens op het voorhoofd. Daaraan kan je mij herkennen. En aan mijn geur uiteraard.
Oh god, ik ben zo romantisch. Hoe droevig is mijn lot. Ik kan een revolutie ontketenen maar niet eens de lafaard in de held herkennen, laat staan, een belastingsformulier invullen zonder die wijnvlek op de bedrijfsvoorheffing te morsen. En mijn vrienden zijn even erg, want ons kent ons. Wij vertrekken vaak maar komen zelden ergens aan. Wij spazieren zonder papieren, zonder handschoenen trekken wij het woud in en branden onze vingers aan kampvuur. Wij zijn sprokkelmaterie, spielerei, godenspeelgoed. Ja, u mag het gerust hardop zeggen: verdoemd!
Op een avond kwam ik hem ergens met zijn balalaika tegen en hij speelde zo mooi. Hij was zelf ook heel aardig om te zien en wanneer hij lachte, dansten de kaarsvlammetjes onder het windstille maanlicht. Hij lachte vaak.
Van het één kwam het ander, en voor ik het wist, speelde hij in mijn salon. Zo mooi, te mooi om waar te zijn. De stoelen dansten, onze wijnglazen zweefden onder het lekkend plafond.
Hij legde zijn balalaika neer, nam een slok, en kuste me heet. Mijn tong was gelukkig, mijn tanden dansten de kasatsjok, mijn hart stond in vlam. Hij vertelde mij dat ik zijn allerliefste was, dat ik altijd bij hem moest blijven, dat we samen naar de sterren zouden gaan.
En ik geloofde hem.
Opgejaagd wild. De bajonet vanachter, vraagtekens op het voorhoofd. Daaraan kan je mij herkennen. En aan mijn geur uiteraard.
Oh god, ik ben zo romantisch. Hoe droevig is mijn lot. Ik kan een revolutie ontketenen maar niet eens de lafaard in de held herkennen, laat staan, een belastingsformulier invullen zonder die wijnvlek op de bedrijfsvoorheffing te morsen. En mijn vrienden zijn even erg, want ons kent ons. Wij vertrekken vaak maar komen zelden ergens aan. Wij spazieren zonder papieren, zonder handschoenen trekken wij het woud in en branden onze vingers aan kampvuur. Wij zijn sprokkelmaterie, spielerei, godenspeelgoed. Ja, u mag het gerust hardop zeggen: verdoemd!
Op een avond kwam ik hem ergens met zijn balalaika tegen en hij speelde zo mooi. Hij was zelf ook heel aardig om te zien en wanneer hij lachte, dansten de kaarsvlammetjes onder het windstille maanlicht. Hij lachte vaak.
Van het één kwam het ander, en voor ik het wist, speelde hij in mijn salon. Zo mooi, te mooi om waar te zijn. De stoelen dansten, onze wijnglazen zweefden onder het lekkend plafond.
Hij legde zijn balalaika neer, nam een slok, en kuste me heet. Mijn tong was gelukkig, mijn tanden dansten de kasatsjok, mijn hart stond in vlam. Hij vertelde mij dat ik zijn allerliefste was, dat ik altijd bij hem moest blijven, dat we samen naar de sterren zouden gaan.
En ik geloofde hem.
vrijdag 15 mei 2009
Masja Hari en Het Gele Gevaar
Woensdagavond kuierde ik weer wat langs de kade onder de lichtjes van de Schelde. Een spannende manier om het zwarte gat der werkloosheid te dichten.
Palingvissers zaten geduldig op paling te wachten. Nu ja, ik kon ze niet zien, maar het is niet omdat je geen palingvissers ziet dat er geen zijn. Piraten sloegen het op akkoordjes met matrozen en cameramensen. De tanker uit Timbuktu loosde zijn frituurolie. Je normale rustige woensdagavondje langs de kade dus.
Een gele Porsche volgde mij zonder nummerplaat, althans, ik zag er geen. Hij kwam naast me rijden, zo traag als een Porsche rijden kan. Een raam schoof naar beneden, een hand wenkte, een mannenstem riep in het donker. Ik dacht even: waar ken ik die stem ergens van?
‘Mevrouw Masja?’
‘Juffrouw Masja’
‘Juffrouw Masja, is het waar dat u Chinees spreekt?’
‘Ni hao’
‘Stapt u even in? Ik heb een interessante werkaanbieding voor u. Ik ben de minister van landsverdediging, kijkt u maar naar mijn krullen’.
En ja, wat doe je op zo’n moment? Je stapt in een gele Porsche.
‘De zaak zit in vogelvlucht zo. Zoals u weet, meert morgen de Shangai Express 203 aan, de mastodont met de tweehonderd en drie Chinese bemanningsleden die hier om de twee weken voor anker gaat. Uit goede bron weten wij dat hij minstens twintig spionnen aan boord heeft. En wij dachten aan u, juffrouw Masja, om de snoodaards te ontmaskeren. U bent toch degene die minister Claes destijds ….?'
‘Dim sum’
‘Dat dacht ik al. Als bedrijfswagen krijgt u deze telegeleide Porsche met ingebouwde stemcomputer, infraroodsauna, lounge bar, Power Plate en Flatscreen, waarmee u tweewekelijks naar onze contactpersoon in Schellebelle rijdt. Aan deze persoon geeft u alles door wat u op de Shangai 203 achterhaalt, in een geheimschrift dat op het Chinees lijkt maar het uiteraard niet is. In Schellebelle krijgt u zoveel cash als u nodig heeft voor uw contraspionage. Heeft u nog vragen?'
‘Ik zou liever een rode Ferrari hebben. Geel lijkt meer iets voor een Ford gezinsmodelletje, type Tourneo Connect xl. En een Porsche.. pffft, dat parkeert zo lastig, dat bonkt met zijn lage ophanging tegen de kasseien van Schellebelle. Daar heeft u toch niet goed doorgedacht, minister van landsverdediging. In een Ferrari komt men toch altijd dat ietsje hoger van de grond.’
‘Zoals u wenst, juffrouw Masja, goed dat u ons hierop attendeert, de ophanging hadden wij over het hoofd gezien.’
‘Dus, even recapituleren, u wil dat ik tweehonderd Chinezen laat kreunen dat ze spion zijn? Ik zeg niet dat ik het niet aankan, de vraag is, zijn het Kantonezen, Mandarijnen… Spreken ze ABC, Algemeen Beschaafd Chinees? Iedere provincie kreunt anders hoor. Het Mandarijnse kreunen is mij niet vreemd, dat staat in mijn curriculum vermeld met een sterretje.’
‘Goed dat u ons daar op attendeert, juffrouw Masja’
‘Nu heb ik nog niemand horen kreunen: Spion! Ik ben een spion! Of, Fraudeur, ik ben een fraudeur! Meestal kreunt men een naam. Zoals minister Claes destijds ‘Aaahhh Gusta’ riep van extase. Mag ik bijgevolg vragen wat deze Chinese heren zoal bespioneren?'
‘Zij bespioneren schaamteloos onze industrie, juffrouw Masja, om haar in China te kopiëren. Alles maakt men in China na. Eddy Merckx fietsen, Tom Boonen inlegkruisjes, c.d ’s van Arno. Op massale schaal worden Chinese frieten gedetecteerd, Leonidas pralines made in Shanghai. Zelfs de Trappist, alstublieft.'
‘Dat wordt dan een fluitje van een cent, minister’.
‘Zeg maar Pieter’.
‘Dat wordt dan een fluitje van een cent Pieter’.
‘Dan moet ik nu enkel nog een bekwaamheidstest van u afnemen juffrouw Masjenka, formaliteitje van een paar seconden.'
‘Ya ming yü shu shang, Li Ping’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Hou je piemel in je broek, Pietel.’
Palingvissers zaten geduldig op paling te wachten. Nu ja, ik kon ze niet zien, maar het is niet omdat je geen palingvissers ziet dat er geen zijn. Piraten sloegen het op akkoordjes met matrozen en cameramensen. De tanker uit Timbuktu loosde zijn frituurolie. Je normale rustige woensdagavondje langs de kade dus.
Een gele Porsche volgde mij zonder nummerplaat, althans, ik zag er geen. Hij kwam naast me rijden, zo traag als een Porsche rijden kan. Een raam schoof naar beneden, een hand wenkte, een mannenstem riep in het donker. Ik dacht even: waar ken ik die stem ergens van?
‘Mevrouw Masja?’
‘Juffrouw Masja’
‘Juffrouw Masja, is het waar dat u Chinees spreekt?’
‘Ni hao’
‘Stapt u even in? Ik heb een interessante werkaanbieding voor u. Ik ben de minister van landsverdediging, kijkt u maar naar mijn krullen’.
En ja, wat doe je op zo’n moment? Je stapt in een gele Porsche.
‘De zaak zit in vogelvlucht zo. Zoals u weet, meert morgen de Shangai Express 203 aan, de mastodont met de tweehonderd en drie Chinese bemanningsleden die hier om de twee weken voor anker gaat. Uit goede bron weten wij dat hij minstens twintig spionnen aan boord heeft. En wij dachten aan u, juffrouw Masja, om de snoodaards te ontmaskeren. U bent toch degene die minister Claes destijds ….?'
‘Dim sum’
‘Dat dacht ik al. Als bedrijfswagen krijgt u deze telegeleide Porsche met ingebouwde stemcomputer, infraroodsauna, lounge bar, Power Plate en Flatscreen, waarmee u tweewekelijks naar onze contactpersoon in Schellebelle rijdt. Aan deze persoon geeft u alles door wat u op de Shangai 203 achterhaalt, in een geheimschrift dat op het Chinees lijkt maar het uiteraard niet is. In Schellebelle krijgt u zoveel cash als u nodig heeft voor uw contraspionage. Heeft u nog vragen?'
‘Ik zou liever een rode Ferrari hebben. Geel lijkt meer iets voor een Ford gezinsmodelletje, type Tourneo Connect xl. En een Porsche.. pffft, dat parkeert zo lastig, dat bonkt met zijn lage ophanging tegen de kasseien van Schellebelle. Daar heeft u toch niet goed doorgedacht, minister van landsverdediging. In een Ferrari komt men toch altijd dat ietsje hoger van de grond.’
‘Zoals u wenst, juffrouw Masja, goed dat u ons hierop attendeert, de ophanging hadden wij over het hoofd gezien.’
‘Dus, even recapituleren, u wil dat ik tweehonderd Chinezen laat kreunen dat ze spion zijn? Ik zeg niet dat ik het niet aankan, de vraag is, zijn het Kantonezen, Mandarijnen… Spreken ze ABC, Algemeen Beschaafd Chinees? Iedere provincie kreunt anders hoor. Het Mandarijnse kreunen is mij niet vreemd, dat staat in mijn curriculum vermeld met een sterretje.’
‘Goed dat u ons daar op attendeert, juffrouw Masja’
‘Nu heb ik nog niemand horen kreunen: Spion! Ik ben een spion! Of, Fraudeur, ik ben een fraudeur! Meestal kreunt men een naam. Zoals minister Claes destijds ‘Aaahhh Gusta’ riep van extase. Mag ik bijgevolg vragen wat deze Chinese heren zoal bespioneren?'
‘Zij bespioneren schaamteloos onze industrie, juffrouw Masja, om haar in China te kopiëren. Alles maakt men in China na. Eddy Merckx fietsen, Tom Boonen inlegkruisjes, c.d ’s van Arno. Op massale schaal worden Chinese frieten gedetecteerd, Leonidas pralines made in Shanghai. Zelfs de Trappist, alstublieft.'
‘Dat wordt dan een fluitje van een cent, minister’.
‘Zeg maar Pieter’.
‘Dat wordt dan een fluitje van een cent Pieter’.
‘Dan moet ik nu enkel nog een bekwaamheidstest van u afnemen juffrouw Masjenka, formaliteitje van een paar seconden.'
‘Ya ming yü shu shang, Li Ping’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Hou je piemel in je broek, Pietel.’
maandag 4 mei 2009
Zij die glimlacht
1984 zag er voor mij iets anders uit dan voor George Orwell. In 1984 kreeg ik een diploma en via een kennis kwam ik aan mijn eerste job, klotejob, maar een job, in de verdorven hoofdstad. Die hoofdstad lag ver weg, en ik ben niet wat men noemt het pendelend type. Dus wees die kennis mij ook een bewoonbaar appartement aan, tweede etage in een aftands herenhuis van interbellaire glorie dat ‘Interludium’ heette en dat vanbinnen aan het vervellen was.
De hall rook naar boenwas, de trap lag onder een royalistisch rode loper en hij kraakte op de tiende en de dertigste trede. Op de overloop kwam je langs een zaaltje met parketvloer, imposante kristallen lusters, marmeren schoorsteenmantels met bronzen kandelaars, groene muren, aristocratische portretten. Er stond een zeldzame Bösendorfer vleugelpiano. Mijn huisbazin klampte zich vast aan de klassieke muziekkunst, als een veteraan aan zijn rammelende decoraties. Het sierde haar, en dat wist ze.
Iedere namiddag kwamen er jonge virtuozen op haar Bösendorfer oefenen. Meestal waren dat Japanners of Hong-Kong Chinezen, soms een zeldzame Spaanse, nu en dan een vliegende Rus. De getalenteerde Rus tokkelde zich toen nog via de snaren een retourtje naar het Westen.
De hall rook naar boenwas, de trap lag onder een royalistisch rode loper en hij kraakte op de tiende en de dertigste trede. Op de overloop kwam je langs een zaaltje met parketvloer, imposante kristallen lusters, marmeren schoorsteenmantels met bronzen kandelaars, groene muren, aristocratische portretten. Er stond een zeldzame Bösendorfer vleugelpiano. Mijn huisbazin klampte zich vast aan de klassieke muziekkunst, als een veteraan aan zijn rammelende decoraties. Het sierde haar, en dat wist ze.
Iedere namiddag kwamen er jonge virtuozen op haar Bösendorfer oefenen. Meestal waren dat Japanners of Hong-Kong Chinezen, soms een zeldzame Spaanse, nu en dan een vliegende Rus. De getalenteerde Rus tokkelde zich toen nog via de snaren een retourtje naar het Westen.
En twee keer in de maand was er een huisconcertje. Dan liep de eerste verdieping over van de klassieke tover, van dure parfums, francofone blabla en klinkende champagneglazen. Dan moest ik in sourdine door mijn kamers sloffen vanwege de lusters die niet mochten rinkelen tijdens een sonatine. Daarom lag de huurprijs van mijn appartement ook aantrekkelijk laag, en vooral omdat het in Little Ankara gelegen was, de Turkenbuurt van Schaarbeek.
Ik was dol op mijn anachronistisch stekje in mijn exotische wijk. Ik zat er op kruipafstand gelegerd van drie notoire drankverstrekkende instituten, De Ultieme Hallucinatie, de Makin’ Whoopee en Le Jugement Dernier, het café met de driehonderd biersoorten, de Jazz, de Brel en de Brassens. Het werd geregeld door apocalyptische Albanezen kort en klein geslagen. Het is nu al een hiernamaals lang gereïncarneerd in een Albanese snackbar met een flipperkast. Maar in 1984 waren de aubergines bijvoorbeeld bij de doorsnee Belg nog totaal onbekend terwijl ik die gewoon bij de Turkse voedingszaak kon halen die Theo heette, om onduidelijke redenen.
Meneer Theo was van moustache tot sandalen een uitgesneden Prototürk. Zat hij niet in een muntthee te roeren dan kauwde hij op zonnebloempitten en spuwde de pelletjes in een kartonnen doos. Of hij speelde met zijn tesbih, zijn Turkse Paternoster. Om klokslag zeven ’s avonds trok hij zijn sandalen uit en waste zijn onfraaie voeten in een ritueel vies teiltje dat, om onduidelijke redenen, naast de open potten met fetakaas werd geposteerd. Daarom haalde ik mijn feta bij de Marokkaan, twee blokjes verder.
Welnu, meneer Theo had veel zonen en één dochtertje dat Gülen heette, dat is Turks voor ‘zij die glimlacht’. En Gülen glimlachte dwars door alles heen, ze was pas negen toen ik in Schaarbeek arriveerde. Heerlijk kind, wakkere reeënoogjes, lange wimpers, ze leerde mij tot tien tellen in het Turks, bir, iki, üc, dört, bes, alti, yedi, sekiz, dokuz, on. Op haar negende zat ze al achter de kassa.
Ik leerde haar tellen in het Vlaams en ze stelde interessante vragen als ‘Pourquoi toi cheveux blonds et moi noirs?’. Ik zei haar heel eerlijk dat ik het niet wist, ik durfde nog eerlijk zijn tegen Turkse kinderen, en het ging over chromosomen, waarover ik nog steeds niks meer weet te vertellen dan Y en X.
Overdag ging Gülen naar school, na vieren zat ze dus achter de kassa, altijd een plezier om haar te zien, we maakten grapjes over selders en bananen. Zeven jaar later moest ze vast achter de kassa , ze kwam nog amper van haar stoel. Beetje bij beetje verloor Gülen haar glimlach en haar slanke taille, de sterretjes dimden in haar ogen , maar ik bleef haar vraagbaak.
‘Hoe voelt dat om te zwemmen in een zee? Hoe voelt dat, de zon op je blote vel? Hoe voelt het om verliefd te zijn op een jongen?’.
Ik was dol op mijn anachronistisch stekje in mijn exotische wijk. Ik zat er op kruipafstand gelegerd van drie notoire drankverstrekkende instituten, De Ultieme Hallucinatie, de Makin’ Whoopee en Le Jugement Dernier, het café met de driehonderd biersoorten, de Jazz, de Brel en de Brassens. Het werd geregeld door apocalyptische Albanezen kort en klein geslagen. Het is nu al een hiernamaals lang gereïncarneerd in een Albanese snackbar met een flipperkast. Maar in 1984 waren de aubergines bijvoorbeeld bij de doorsnee Belg nog totaal onbekend terwijl ik die gewoon bij de Turkse voedingszaak kon halen die Theo heette, om onduidelijke redenen.
Meneer Theo was van moustache tot sandalen een uitgesneden Prototürk. Zat hij niet in een muntthee te roeren dan kauwde hij op zonnebloempitten en spuwde de pelletjes in een kartonnen doos. Of hij speelde met zijn tesbih, zijn Turkse Paternoster. Om klokslag zeven ’s avonds trok hij zijn sandalen uit en waste zijn onfraaie voeten in een ritueel vies teiltje dat, om onduidelijke redenen, naast de open potten met fetakaas werd geposteerd. Daarom haalde ik mijn feta bij de Marokkaan, twee blokjes verder.
Welnu, meneer Theo had veel zonen en één dochtertje dat Gülen heette, dat is Turks voor ‘zij die glimlacht’. En Gülen glimlachte dwars door alles heen, ze was pas negen toen ik in Schaarbeek arriveerde. Heerlijk kind, wakkere reeënoogjes, lange wimpers, ze leerde mij tot tien tellen in het Turks, bir, iki, üc, dört, bes, alti, yedi, sekiz, dokuz, on. Op haar negende zat ze al achter de kassa.
Ik leerde haar tellen in het Vlaams en ze stelde interessante vragen als ‘Pourquoi toi cheveux blonds et moi noirs?’. Ik zei haar heel eerlijk dat ik het niet wist, ik durfde nog eerlijk zijn tegen Turkse kinderen, en het ging over chromosomen, waarover ik nog steeds niks meer weet te vertellen dan Y en X.
Overdag ging Gülen naar school, na vieren zat ze dus achter de kassa, altijd een plezier om haar te zien, we maakten grapjes over selders en bananen. Zeven jaar later moest ze vast achter de kassa , ze kwam nog amper van haar stoel. Beetje bij beetje verloor Gülen haar glimlach en haar slanke taille, de sterretjes dimden in haar ogen , maar ik bleef haar vraagbaak.
‘Hoe voelt dat om te zwemmen in een zee? Hoe voelt dat, de zon op je blote vel? Hoe voelt het om verliefd te zijn op een jongen?’.
Ik antwoordde naar best vermogen.
Nog eens zeven jaar later was ze zo rond dat je slechts nog een vermoeden van Gülen zag zitten. Haar golvende lokken verdwenen onder een synthetisch hoofddoek en ze kreeg een snorretje, enkel aan haar wimpers viel ze nog te raden. ’s Zomers vond ze dat hoofddoek een kwelling. Het gaf jeuk, het was heet, en het stonk naar de voeten van haar vader.
Ze was een jaar of vijfentwintig toen ze vroeg: ‘Jij bent niet getrouwd hé, zou je niet eens willen trouwen?’
Ik legde haar, naar best vermogen, uit dat ik te romantisch was om de liefde contractueel te versmachten.
‘Ook niet als je er tweehonderdduizend frank voor krijgt?’, vroeg zij.
‘Nog voor geen twee miljoen, zei ik, misschien alleen voor twee miljoen lieve woordjes in mijn oor en tien miljoen kussen op mijn mond.’.
‘Ik ken een Marokkaanse jongen, zei ze, hij komt hier iedere week om feta. We maken een praatje als vader het niet ziet. Hij heeft geen verblijfsvergunning, het breekt mijn hart dat hij terug moet naar Marokko. Hij is de enige jongen die met me praat. Wil jij niet met hem trouwen? Voor tweehonderdduizend frank?.
‘Waarom trouw jij niet met hem lieve Gülen, vroeg ik, je oogjes blinken weer, je bent verliefd, en je hebt toch de Belgische nationaliteit?’.
‘Ben je gek?’, riep ze. ‘Ik? Trouwen met een Marrokaan? Mijn vader en mijn broers vermoorden me’.
Nog eens zeven jaar later was ze zo rond dat je slechts nog een vermoeden van Gülen zag zitten. Haar golvende lokken verdwenen onder een synthetisch hoofddoek en ze kreeg een snorretje, enkel aan haar wimpers viel ze nog te raden. ’s Zomers vond ze dat hoofddoek een kwelling. Het gaf jeuk, het was heet, en het stonk naar de voeten van haar vader.
Ze was een jaar of vijfentwintig toen ze vroeg: ‘Jij bent niet getrouwd hé, zou je niet eens willen trouwen?’
Ik legde haar, naar best vermogen, uit dat ik te romantisch was om de liefde contractueel te versmachten.
‘Ook niet als je er tweehonderdduizend frank voor krijgt?’, vroeg zij.
‘Nog voor geen twee miljoen, zei ik, misschien alleen voor twee miljoen lieve woordjes in mijn oor en tien miljoen kussen op mijn mond.’.
‘Ik ken een Marokkaanse jongen, zei ze, hij komt hier iedere week om feta. We maken een praatje als vader het niet ziet. Hij heeft geen verblijfsvergunning, het breekt mijn hart dat hij terug moet naar Marokko. Hij is de enige jongen die met me praat. Wil jij niet met hem trouwen? Voor tweehonderdduizend frank?.
‘Waarom trouw jij niet met hem lieve Gülen, vroeg ik, je oogjes blinken weer, je bent verliefd, en je hebt toch de Belgische nationaliteit?’.
‘Ben je gek?’, riep ze. ‘Ik? Trouwen met een Marrokaan? Mijn vader en mijn broers vermoorden me’.
dinsdag 21 april 2009
Goedendag
Toen ik nog burgemeester was, was het leven zoet. Waar ik mijn kop ook stak, werd ik vriendelijk begroet. En het waren niet alleen de koetjes, de varkentjes en paardjes die naar mij loeiden, knorden of hinnikten.
‘Goeiemorgen, mevrouw de burgemeester, zei onze blozende beenhouwer, ook al stond hij een kalkoen in de morgen te fileren , hoe maakt onze burgemeester het vandaag?’.
Meneer de beenhouwer, vandaag maak ik alles goed, zei ik dan, ook vandaag zal ons dorp weer tevreden glimlachen over mijn regering. Jullie kunnen op twee oortjes slapen terwijl ik waak. De vijand krijgt geen kans. Een broodje met boerenpaté alstublieft.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, een kopje koffie bij uw broodje?’, vroeg Rita in het gemeentehuis. En ze bracht een kopje koffie met een wolkje melk.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei onze schepen van dorpsverdediging, wat ziet u er weer goed uit vandaag’.
Ja, zo voel ik me ook, beste schepen van dorpsverdediging. Goed zijn is hier mijn taak. Een burgemeester moet niet alleen goed zijn van hart maar ook in het ondertekenen van documenten. Heeft u weer mooie documentjes voor me meegebracht?
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei de politiecommissaris, eet smakelijk van uw lekker broodje’.
Dat zal ik doen, beste commissaris van politie. Het is de taak van het broodje om smakelijk te zijn, en het is onze plicht jegens het smakelijke broodje, om het met smaak te kauwen. Wilt u effe bijten?
‘Ja gaarne, mevrouw de burgemeester, ik bijt graag in uw smakelijk broodje’.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei de schoonmaakster, mag ik uw ramen komen lappen?’.
Dat mag u zeker, juffrouw de schoonmaakster, waar hebben wij anders ramen voor? Om ze te lappen natuurlijk, ook al zit er geen spatje op. Als u niet kan lappen, heeft u geen werk, en ik weet hoe graag u lapt.
‘Goeiemiddag mevrouw de burgemeester, zegden de lunchende landbouwers in de snackbar naast het kapelletje, geen weer vandaag hé, met al die regen’ .
Dierbare landbouwers, mijn regenbeleid is een gedoogbeleid. Zonder de regen zaten wij hier in Ethiopië, een gebied waar ik niets dan droeve dingen van verneem. Zonder regen geen landbouw, en ik weet hoe graag jullie landbouwen. Zonder landbouwen hebben jullie geen werk.
‘Goedendag mevrouw de burgemeester’, zei meneer pastoor voor het kapelletje naast de snackbar.
Goedendag meneer pastoor.
‘Die belhamels hebben weer jointjes zitten paffen in mijn kapel, kunt u dat niet verhinderen?’.
Hebben ze iets vernield? Zijn er vandaliteiten op uw heiligdom gepleegd?
‘Neen, dat niet mevrouw de burgemeester, ’t zijn brave jongens, maar het ruikt hier weer zo naar…’.
Naar wierook en tranen, meneer pastoor?
‘Goeiemorgen, mevrouw de burgemeester, zei onze blozende beenhouwer, ook al stond hij een kalkoen in de morgen te fileren , hoe maakt onze burgemeester het vandaag?’.
Meneer de beenhouwer, vandaag maak ik alles goed, zei ik dan, ook vandaag zal ons dorp weer tevreden glimlachen over mijn regering. Jullie kunnen op twee oortjes slapen terwijl ik waak. De vijand krijgt geen kans. Een broodje met boerenpaté alstublieft.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, een kopje koffie bij uw broodje?’, vroeg Rita in het gemeentehuis. En ze bracht een kopje koffie met een wolkje melk.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei onze schepen van dorpsverdediging, wat ziet u er weer goed uit vandaag’.
Ja, zo voel ik me ook, beste schepen van dorpsverdediging. Goed zijn is hier mijn taak. Een burgemeester moet niet alleen goed zijn van hart maar ook in het ondertekenen van documenten. Heeft u weer mooie documentjes voor me meegebracht?
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei de politiecommissaris, eet smakelijk van uw lekker broodje’.
Dat zal ik doen, beste commissaris van politie. Het is de taak van het broodje om smakelijk te zijn, en het is onze plicht jegens het smakelijke broodje, om het met smaak te kauwen. Wilt u effe bijten?
‘Ja gaarne, mevrouw de burgemeester, ik bijt graag in uw smakelijk broodje’.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei de schoonmaakster, mag ik uw ramen komen lappen?’.
Dat mag u zeker, juffrouw de schoonmaakster, waar hebben wij anders ramen voor? Om ze te lappen natuurlijk, ook al zit er geen spatje op. Als u niet kan lappen, heeft u geen werk, en ik weet hoe graag u lapt.
‘Goeiemiddag mevrouw de burgemeester, zegden de lunchende landbouwers in de snackbar naast het kapelletje, geen weer vandaag hé, met al die regen’ .
Dierbare landbouwers, mijn regenbeleid is een gedoogbeleid. Zonder de regen zaten wij hier in Ethiopië, een gebied waar ik niets dan droeve dingen van verneem. Zonder regen geen landbouw, en ik weet hoe graag jullie landbouwen. Zonder landbouwen hebben jullie geen werk.
‘Goedendag mevrouw de burgemeester’, zei meneer pastoor voor het kapelletje naast de snackbar.
Goedendag meneer pastoor.
‘Die belhamels hebben weer jointjes zitten paffen in mijn kapel, kunt u dat niet verhinderen?’.
Hebben ze iets vernield? Zijn er vandaliteiten op uw heiligdom gepleegd?
‘Neen, dat niet mevrouw de burgemeester, ’t zijn brave jongens, maar het ruikt hier weer zo naar…’.
Naar wierook en tranen, meneer pastoor?
dinsdag 14 april 2009
Koper
Vroeger keek ik neer op majorettes. Zij waren alles wat ik niet was. Luchtig en zwaaiend op witte rijglaarsjes, in veel te korte rokjes die om verkrachting riepen, of op z’n minst op billenkoek. Je kon aan hun gezichten ook zien dat zij de klassiekers nooit zouden lezen. En aan hun billen zat zich al dat lillend stukje zitvlees te ontwikkelen in een veel te spannende nylonpanty.
’t Is heel vreemd maar de laatste tijd wil ik alsmaar vaker majorette zijn. Met een zilveren stokje oefenen voor de kermisdagen en aan niets anders moeten denken dan: blijft mijn stokje wel in de lucht? Daarom zoek ik een fanfare.
Ik weet het, fanfare is grotesk. Fanfare is kitsch. De fanfare trommelt, rinkelt en blaast en de blazers stinken naar bier, trommelaars ook. Dat maakt haar sympathiek. De fanfare marcheert in militaire marche en ze heeft een triangel. Haar repertoire varieert van fanfare tot fanfare, van Eine kleine Nachtmusik tot Jailhouse Rock, maar fanfare betekent altijd feest. Soms ook begrafenis. Best ook een beetje feest natuurlijk, zolang je niet achter de fanfare aan moet lopen, maar lekker slapend in je gesatineerde kist de eeuwige rust wordt ingeblazen.
vrijdag 3 april 2009
Sluikweg
Telkens de Theunissen terug van Tenerife zijn, sluip ik weer langs mijn sluikweg naar de bakker. Dan fiets ik niet via de Kerkstraat naar het dorp maar laveer ik als een koorddanseres over het drassig kerkhofricheltje, dat veel te smal is voor een tweewieler. Leven is een les in acrobatie.
Want van zodra madam Theunis mijn kop door haar sanseviera’s ziet passeren, waarachter zij dagelijks postvat, tikt zij geestdriftig op haar raam en wenkt mij gretig naar binnen. En dan mag ik wel die gedegen rebelse eigenschappen bezitten waartegen Jeanne d’Arc een Perzische kitten lijkt, maar neen zeggen tegen madam Theunis, dat lukt me niet.
De kerkhofrichel is mijn redding, nadat eerst de rubberen-modderlaarzentactiek is mislukt. Met die laarzen mocht ik niet verder dan het deurmatje komen, dat was een excuus, dat was tenminste iéts om je aan haar geestdrift te ontwrikken. Maar op een dag zag ze een artikeltje van mij in een blaadje staan, een artikeltje van niets, en nu denkt ze dat ik een soort beroemdheid ben. Nu mag ik zelfs haar salonvloer besmodderen, en probeert ze met het gejubel der wanhoop haar gescheiden zoon aan mij te slijten. Haar man doolt ergens onzichtbaar door het huis, of achter een krant, of hij delft een voortje in de moestuin, zoals menig man met een madam Theunis zijn voortje delft.
Op een dag regisseerde ze het gesprek over haar latent vegetarisme in de richting der kleuren en vroeg me naar mijn lievelingskleur.
‘Ik vind alle kleuren wel iets hebben, zei ik, meekraprood kan bijvoorbeeld heel warm zijn, terwijl kobaltblauw…’
‘Krabrood is precies de lievelingskleur van mijn zoon, wat een toeval, wat een toeval!’ en ze knipoogde daar op een onder-meisjes giecheltoon aan toe: ‘Zijn onderbroeken zijn krabrood, weet je’.
Gelukkig trekken de Theunissen ‘s winters naar Tenerife en blijven daar lang genoeg om weer vergeten te worden. Maar o jee als madam mijn kop terugziet, want dan komt het onverbiddelijke reisverslag dat ieder jaar hetzelfde is. Geheugen is een vloek. De ouwe Nietzsche mompelde het al bij morgenrood vanonder zijn moustache, das Gedächtnis ist ein Fluch. Hun digitale kiekjes zien er telkens precies hetzelfde uit. Madam Theunis bij het zwembad, madam Theunis schuift aan bij het buffet, meneer Theunis doet alsof hij een balletje slaat, Madam Theunis onder een palmboom, madam Theunis op het balkon. Altijd met dat enthousiaste wenkbrauwstreepje en hij, met die eeuwig witte pet.
‘Zijn jullie ook naar de Teide geweest?’. Een louter afleidingsmanoeuvre.
‘Naar de wat?’, vraagt ze ieder jaar.
‘Naar de Teide, die enorme besneeuwde vulkaan die je van overal op Tenerife ziet staan’.
Neen, daar zijn ze niet geweest, maar ze hebben wel iedere avond de Conquistador, de Pescador of de Faro gedaan, drie sterren restaurants. En dan volgt de opsomming der zeebanketten.
‘Eerst champagne met Zeeuwse oesters, allemaal à volonté...’
‘Zeeuwse oesters, op Tenerife? Hebben ze er ook Noordzeegarnalen?’
‘Of ze uit de Noordzee komen dat weet ik niet kind, maar je ziet er wel veel garnalen. Roze, geen grijze. En dan komt de halve kreeft, ook à volonté…
‘Een hele kreeft dus’
‘Mét champagne hé, en dan een soep…’
‘Een vissoep?’
‘Neen, geen vissoep, kreeftensoep maar daar eet ik nooit zoveel van want ik zeg je kind, de hoofdschotel is zooo royaal, daar moet je plaats voor vrijhouden. En allemaal vers uit de zee hé, dat proef je, en dat betaal je natuurlijk ook maar wij kijken niet op een cent. Wij laten het ons kosten. Want dat is toch het belangrijkste in het leven kind, lekker eten. Onze zoon eet ook zo graag. Waarom ga je niet eens mee met ons? Lekker gezellig naar Tenerife…’
De kerkhofrichel is de enige weg die ik nog neem naar de bakker.
Want van zodra madam Theunis mijn kop door haar sanseviera’s ziet passeren, waarachter zij dagelijks postvat, tikt zij geestdriftig op haar raam en wenkt mij gretig naar binnen. En dan mag ik wel die gedegen rebelse eigenschappen bezitten waartegen Jeanne d’Arc een Perzische kitten lijkt, maar neen zeggen tegen madam Theunis, dat lukt me niet.
De kerkhofrichel is mijn redding, nadat eerst de rubberen-modderlaarzentactiek is mislukt. Met die laarzen mocht ik niet verder dan het deurmatje komen, dat was een excuus, dat was tenminste iéts om je aan haar geestdrift te ontwrikken. Maar op een dag zag ze een artikeltje van mij in een blaadje staan, een artikeltje van niets, en nu denkt ze dat ik een soort beroemdheid ben. Nu mag ik zelfs haar salonvloer besmodderen, en probeert ze met het gejubel der wanhoop haar gescheiden zoon aan mij te slijten. Haar man doolt ergens onzichtbaar door het huis, of achter een krant, of hij delft een voortje in de moestuin, zoals menig man met een madam Theunis zijn voortje delft.
Op een dag regisseerde ze het gesprek over haar latent vegetarisme in de richting der kleuren en vroeg me naar mijn lievelingskleur.
‘Ik vind alle kleuren wel iets hebben, zei ik, meekraprood kan bijvoorbeeld heel warm zijn, terwijl kobaltblauw…’
‘Krabrood is precies de lievelingskleur van mijn zoon, wat een toeval, wat een toeval!’ en ze knipoogde daar op een onder-meisjes giecheltoon aan toe: ‘Zijn onderbroeken zijn krabrood, weet je’.
Gelukkig trekken de Theunissen ‘s winters naar Tenerife en blijven daar lang genoeg om weer vergeten te worden. Maar o jee als madam mijn kop terugziet, want dan komt het onverbiddelijke reisverslag dat ieder jaar hetzelfde is. Geheugen is een vloek. De ouwe Nietzsche mompelde het al bij morgenrood vanonder zijn moustache, das Gedächtnis ist ein Fluch. Hun digitale kiekjes zien er telkens precies hetzelfde uit. Madam Theunis bij het zwembad, madam Theunis schuift aan bij het buffet, meneer Theunis doet alsof hij een balletje slaat, Madam Theunis onder een palmboom, madam Theunis op het balkon. Altijd met dat enthousiaste wenkbrauwstreepje en hij, met die eeuwig witte pet.
‘Zijn jullie ook naar de Teide geweest?’. Een louter afleidingsmanoeuvre.
‘Naar de wat?’, vraagt ze ieder jaar.
‘Naar de Teide, die enorme besneeuwde vulkaan die je van overal op Tenerife ziet staan’.
Neen, daar zijn ze niet geweest, maar ze hebben wel iedere avond de Conquistador, de Pescador of de Faro gedaan, drie sterren restaurants. En dan volgt de opsomming der zeebanketten.
‘Eerst champagne met Zeeuwse oesters, allemaal à volonté...’
‘Zeeuwse oesters, op Tenerife? Hebben ze er ook Noordzeegarnalen?’
‘Of ze uit de Noordzee komen dat weet ik niet kind, maar je ziet er wel veel garnalen. Roze, geen grijze. En dan komt de halve kreeft, ook à volonté…
‘Een hele kreeft dus’
‘Mét champagne hé, en dan een soep…’
‘Een vissoep?’
‘Neen, geen vissoep, kreeftensoep maar daar eet ik nooit zoveel van want ik zeg je kind, de hoofdschotel is zooo royaal, daar moet je plaats voor vrijhouden. En allemaal vers uit de zee hé, dat proef je, en dat betaal je natuurlijk ook maar wij kijken niet op een cent. Wij laten het ons kosten. Want dat is toch het belangrijkste in het leven kind, lekker eten. Onze zoon eet ook zo graag. Waarom ga je niet eens mee met ons? Lekker gezellig naar Tenerife…’
De kerkhofrichel is de enige weg die ik nog neem naar de bakker.
Labels:
Friedrich Nietzsche,
Geheugen,
Jeanne d'Arc,
Morgenrood,
Moustache,
Zelfmoord
donderdag 26 maart 2009
De kleren van de keizer
'Waarom maken we niet eens een wandelingetje, zei ik, ver hoeft dat niet te zijn, een beetje buitenlucht doet altijd goed, wandelen is gezond'.
‘Ja ! Santé, santé! ’, zei nonkel Marcel.
Hij wreef door zijn haar, want dat heeft hij nog steeds, een weelderig wuivende helmbos, daar heeft hij een leven lang bij de vrouwtjes zijn extralegale voordelen mee gehaald.
Hij wreef dus door zijn haar, schoof in zijn pantoffels en stapte in pyjama fluks de deur uit.
Je wist niet wat je zag. Een gebroken man, die al meer dan twee jaar depressief op bed in rusthuis Avondzon zat te zuchten, stond zo maar op en wandelde.
‘Wacht, nonkel, wacht! Trek toch iets warms aan! En schoenen! ‘t Is buiten kouder dan je denkt, ‘t heeft geregend!’.
Mijn gsm rinkelde – ik moet dringend iets aan dat belmelodietje doen. Weet je wat? Ik moet die gsm gewoon weggooien. Want hij rinkelde dus en iemand van het werk bestookte me met beuzelarijen die ze gerust zelf konden oplossen als ze hun krediet aan grijze cellen maar gebruikten. Tien keer probeerde ik te zeggen: ‘Karine, ik moet u nu echt laten kind, want nonkel Marcel die al drie jaar depressief op zijn bed naar het plafond ligt te staren is zojuist op zijn pantoffels in pyjama de deur ausgemarchierd’.
Ik liep hem met flinke achterstand na, maar hij was natuurlijk al spoorloos verschwunden.
‘Heeft u Marcel soms gezien?’ vroeg ik op de lange gang aan een lange verzorgster die een volle bedpan hanteerde.
Neen, ze had Marcel niet gezien.
Ik rende naar het gemeenschapslokaal, het cafetaria, naar het restaurant, naar de balie, maar men had er geen Marcel in pyjama zien passeren.
Ik rende de straat op. Waar kon die ouwe naartoe zijn? Naar een café, maar welk café? Bij Jeanneken, naar den Gulzigen Bok, den Bonanza of den Acapulco? Ik zapte door mijn memorie, gokte op Bonanza, en spurtte richting Parklaan, die voorbij de kerk ligt.
De kerkpoort stond op een kier, en antiklerikaal of niet, zo’n kier is wel iets wat bejaarde depressieve nonkels kan lokken. Dus stak ik mijn hijgende kop in de kerk. De verroeste scharnieren van de dikke poort kraakten, op mijn hiel ontwaakte een stekende bloedblein, en voor het altaar zag ik een blote ouwe stakker staan, in Adamskostuum. Een verfrommelde creatie Gods, op zijn pantoffels.
‘Nonkel Marcel!’
Hij draaide zich in vol ornaat naar me toe en lachte even sardonisch als vroeger, toen hij bij het kaartspel zijn laatste troef op tafel smeet.
‘Santé, santé, santé!, riep hij van voor het altaar. Hij wees naar de gigantische Christus boven zijn hoofd die er vestimentair, op een soort pamper na, even minimalistisch bijhing. Santé…Santé…Santé…het weerkaatste langsheen de heiligen met houtworm, in een flits zag ik een alpenweide.
‘Nonkel Marcel! Waar is uw pyjama? We moeten gaan! Tante Rosa zit op ons te wachten!’.
Tante Rosa zit al drie jaar in Avondzon verlamd in haar rolstoel. Embolie. Maar tante Rosa zal nog honderd kaarsjes uitblazen, want blazen kan ze nog.
‘Santé, santé, santé’, was alles wat hij daarop te zeggen had.
En nonkel Marcel en ik, wij wandelden gearmd door de straten, van de kerk terug naar Avondzon. Ik wilde mijn jas over zijn lenden knopen maar hij zei santé santé santé en kieperde hem kordaat in een plas. Hij wenste poedelnaakt te blijven op zijn pantoffels.
De mensen gaapten ons aan, want zo zijn de mensen, maar wij hielden het hoofd omhoog. Nonkel Marcel schreed, alsof hij de keizer van China was. Wat van het lot heel ironisch is, want hij is altijd meester kleermaker geweest. Hij heeft menig grote der aarde in zijn nopjes gespeld, gedriegd en genaaid.
Santé, santé, santé, is alles wat hij sedert die dag nog zegt. En af en toe vraagt hij: doe die deur daar eens toe.
Op droeve toon, weliswaar.
‘Ja ! Santé, santé! ’, zei nonkel Marcel.
Hij wreef door zijn haar, want dat heeft hij nog steeds, een weelderig wuivende helmbos, daar heeft hij een leven lang bij de vrouwtjes zijn extralegale voordelen mee gehaald.
Hij wreef dus door zijn haar, schoof in zijn pantoffels en stapte in pyjama fluks de deur uit.
Je wist niet wat je zag. Een gebroken man, die al meer dan twee jaar depressief op bed in rusthuis Avondzon zat te zuchten, stond zo maar op en wandelde.
‘Wacht, nonkel, wacht! Trek toch iets warms aan! En schoenen! ‘t Is buiten kouder dan je denkt, ‘t heeft geregend!’.
Mijn gsm rinkelde – ik moet dringend iets aan dat belmelodietje doen. Weet je wat? Ik moet die gsm gewoon weggooien. Want hij rinkelde dus en iemand van het werk bestookte me met beuzelarijen die ze gerust zelf konden oplossen als ze hun krediet aan grijze cellen maar gebruikten. Tien keer probeerde ik te zeggen: ‘Karine, ik moet u nu echt laten kind, want nonkel Marcel die al drie jaar depressief op zijn bed naar het plafond ligt te staren is zojuist op zijn pantoffels in pyjama de deur ausgemarchierd’.
Ik liep hem met flinke achterstand na, maar hij was natuurlijk al spoorloos verschwunden.
‘Heeft u Marcel soms gezien?’ vroeg ik op de lange gang aan een lange verzorgster die een volle bedpan hanteerde.
Neen, ze had Marcel niet gezien.
Ik rende naar het gemeenschapslokaal, het cafetaria, naar het restaurant, naar de balie, maar men had er geen Marcel in pyjama zien passeren.
Ik rende de straat op. Waar kon die ouwe naartoe zijn? Naar een café, maar welk café? Bij Jeanneken, naar den Gulzigen Bok, den Bonanza of den Acapulco? Ik zapte door mijn memorie, gokte op Bonanza, en spurtte richting Parklaan, die voorbij de kerk ligt.
De kerkpoort stond op een kier, en antiklerikaal of niet, zo’n kier is wel iets wat bejaarde depressieve nonkels kan lokken. Dus stak ik mijn hijgende kop in de kerk. De verroeste scharnieren van de dikke poort kraakten, op mijn hiel ontwaakte een stekende bloedblein, en voor het altaar zag ik een blote ouwe stakker staan, in Adamskostuum. Een verfrommelde creatie Gods, op zijn pantoffels.
‘Nonkel Marcel!’
Hij draaide zich in vol ornaat naar me toe en lachte even sardonisch als vroeger, toen hij bij het kaartspel zijn laatste troef op tafel smeet.
‘Santé, santé, santé!, riep hij van voor het altaar. Hij wees naar de gigantische Christus boven zijn hoofd die er vestimentair, op een soort pamper na, even minimalistisch bijhing. Santé…Santé…Santé…het weerkaatste langsheen de heiligen met houtworm, in een flits zag ik een alpenweide.
‘Nonkel Marcel! Waar is uw pyjama? We moeten gaan! Tante Rosa zit op ons te wachten!’.
Tante Rosa zit al drie jaar in Avondzon verlamd in haar rolstoel. Embolie. Maar tante Rosa zal nog honderd kaarsjes uitblazen, want blazen kan ze nog.
‘Santé, santé, santé’, was alles wat hij daarop te zeggen had.
En nonkel Marcel en ik, wij wandelden gearmd door de straten, van de kerk terug naar Avondzon. Ik wilde mijn jas over zijn lenden knopen maar hij zei santé santé santé en kieperde hem kordaat in een plas. Hij wenste poedelnaakt te blijven op zijn pantoffels.
De mensen gaapten ons aan, want zo zijn de mensen, maar wij hielden het hoofd omhoog. Nonkel Marcel schreed, alsof hij de keizer van China was. Wat van het lot heel ironisch is, want hij is altijd meester kleermaker geweest. Hij heeft menig grote der aarde in zijn nopjes gespeld, gedriegd en genaaid.
Santé, santé, santé, is alles wat hij sedert die dag nog zegt. En af en toe vraagt hij: doe die deur daar eens toe.
Op droeve toon, weliswaar.
Labels:
Alzheimer,
antiklerikaal,
bedpan,
bloedblein,
Bonanza,
embolie,
euthanasie,
Op droeve toon
donderdag 19 maart 2009
Een vredig haventje
De avond was te koud voor een terrasje, je kon best een stevig jasje verdragen, ook al zat je op een zwoele meridiaan. Oceaanwind speelde een treiterig spelletje met bierviltjes en servetjes, witte stoelen schoven als plastieken spoken over de kleine kade, de horeca zuchtte inwendig.
Nu ja, de horeca? Eén vissersbarretje van vijf op zes dat moet leven van de hongerige toeristen op zijn terras. De tonijn komt er vers uit de diepvries, de rum en de grappen zijn er belegen, maar alles is er één en al glimlach en salsa.
Ik had net een royale dosis calamares con papas fritas achter de kiezen en zat in twijfel of er nog een zoet toetje onder de broeksriem kon, toen Efraïn de bar binnenstormde.
'Kom kijken! Kom kijken! Ze zijn terug! Ze zijn terug!'.
Efraïn is de jongste van Humberto, bakker en visser van het haventje. Om de drie weken komt er een sloep met Mauretaanse vluchtelingen aangeprutteld. Een zestigtal beenmagere zwarte jongens en mannen, met roze handpalmen en witte tanden. Soms zijn ze met tachtig, maar Efraïn denkt nog steeds dat het iedere keer dezelfde zijn.
Jorge Morales, lokale loodgieter en politieman, werd meteen vanachter zijn televisie getrommeld en vloekte de Santa Madonna van haar sokkel.
‘Godverdomme daar heb je die zwarte bastardos weer, kunnen ze geen uurtje later komen? Tenerife maakt net een strafschop tegen Lanzarote!’.
Maar ergens was Jorge blij dat hij zijn pet en uniform nog eens aanmocht. Met de revolver en de matrak op zijn heup kon hij weer eventjes Superman spelen, al had hij meer van Lou Costello, de kleine dikke van Abott en Costello.
Jorge belde de Cruz Roja op, het Rode Kruis uit de hoofdstad, op een onverlichte bergrit van een uur. En hij deed een uur lang wat hij bij iedere Mauretaanse aanspoeling deed: hij handhaafde klapwiekend de orde, à la española.
Eerst moesten de zwarte mannen uit de sloep gehesen worden. Alsof we dat nog niet wisten.
Wankele, stinkende menswrakken, uitgehongerd, doodop, te onderkoeld voor wanhoop. Geradbraakt. Kapot. Hoe zou u zelf zijn na drie dagen en drie nachten in een barre sloep op zee? De onvoorspelbare weg naar het land van melk en honing is moedig, maar nat en koud. De oceaan is eenzaam en bangelijk bij nacht, de wind kan boosaardig zijn.
De ziekste exemplaren legden we uit de wind maar zij die niet omvervielen moesten netjes in een rij onder de zwakke lichtjes van de kade gaan zitten zodat Jorge hen beter kon tellen.
‘Er zit er altijd wel ééntje bij die nog wil weglopen’, zei hij met beroepsernst en met de hand op de knuppel.
Het was een ondraaglijk stille, sombere rij, in geen woord, in geen foto te vertalen. Misschien enkel in een schilderij, met gehavende galeislaven in dreigend Rembrandt- zwart en bruin, of in een donker aangehouden cellotoon.
‘Tu, capitan? Ben jij de kapitein?’, vroeg de kleine Efraïn aan degene die vooraan zat.
‘No communicación! Met de vluchtelingen mag niet gepraat worden, riep Jorge, en daarbij, ze laten toch niks los’.
Een Duitse drama queen barstte in tranen uit: ‘Ich kann es nicht ansehen’.
Maar Humberto hield het moreel der omstaanders hoog: ‘Jongens, nu is het moment om naar Mauretanië te gaan, alle vrouwen zitten er alleen’.
‘Je vraagt je af hoe die mensen in het donker zo precies dit haventje gevonden hebben’, zei ik.
‘Met een G.P.S natuurlijk, lachte Humberto weer, bij de derde tonijnbank slaat u links af..’..
En dan kwam het Rode Kruis van over de berg in gele busjes aangereden. Met zijn fleece dekens en krachtkoekjes, zijn bloeddrukmeters en stethoscopen, zijn bemanning in witte astronautenpakjes. Witte plastieken spoken met een mondmaskertje op.
Dan kwam de schifting.
Wie ouder was dan zeventien kwam links te zitten en werd drie dagen later op een vliegtuig terug naar Mauretanië gezet. Wie jonger was, moest rechts en kreeg nog een kans in de welvaart.
De witte Rode Kruisers gingen de rij af: ‘Cuàntos años tienes? Hoe oud ben je?’
De Mauretaniërs gaven geen kik.
‘Misschien helpt het als je ze in het Frans aanspreekt’, zei ik.
Duizend Mauretaniërs waren er al aangespoeld, maar geen Spanjaard die dààr ooit had aan gedacht. Men ging ervan uit dat ze Mauretaans praatten.
Ik bukte me naar een willekeurige man van een jaar of vijfendertig en vroeg: ‘Quel âge avez-vous monsieur?’
Hij keek me bevend aan en fluisterde: ‘J’ai dix-sept ans madame’.
Allemaal waren ze zeventien, behalve de kinderen en zij die half bewusteloos waren. En één lieve jongen die me strak in de ogen keek: ‘J’ai dix-sept ans madame, mais ce n’est pas vrai. J’en ai dix-huit’.
Hij bleef me smekend aankijken, en ik hem. ‘Zeg dat je zeventien bent!’.
We kregen beiden rooie ogen. In de zijne las ik de lange lastige weg die nog voor hem lag.
Hoe zeg je in één verboden blik van tien seconden: Kom in mijn armen, bange jongen. Ik wil je troosten, je warmen, je de weg wijzen naar het geluk dat jij zoekt, je voeden en beschermen, je laten lachen en bloeien, maar ik mag niet.
‘Wel, hoe oud is hij, vroeg Jorge, ook zeventien zeker?’
‘Neen, deze is zestien’, zei ik.
Nu ja, de horeca? Eén vissersbarretje van vijf op zes dat moet leven van de hongerige toeristen op zijn terras. De tonijn komt er vers uit de diepvries, de rum en de grappen zijn er belegen, maar alles is er één en al glimlach en salsa.
Ik had net een royale dosis calamares con papas fritas achter de kiezen en zat in twijfel of er nog een zoet toetje onder de broeksriem kon, toen Efraïn de bar binnenstormde.
'Kom kijken! Kom kijken! Ze zijn terug! Ze zijn terug!'.
Efraïn is de jongste van Humberto, bakker en visser van het haventje. Om de drie weken komt er een sloep met Mauretaanse vluchtelingen aangeprutteld. Een zestigtal beenmagere zwarte jongens en mannen, met roze handpalmen en witte tanden. Soms zijn ze met tachtig, maar Efraïn denkt nog steeds dat het iedere keer dezelfde zijn.
Jorge Morales, lokale loodgieter en politieman, werd meteen vanachter zijn televisie getrommeld en vloekte de Santa Madonna van haar sokkel.
‘Godverdomme daar heb je die zwarte bastardos weer, kunnen ze geen uurtje later komen? Tenerife maakt net een strafschop tegen Lanzarote!’.
Maar ergens was Jorge blij dat hij zijn pet en uniform nog eens aanmocht. Met de revolver en de matrak op zijn heup kon hij weer eventjes Superman spelen, al had hij meer van Lou Costello, de kleine dikke van Abott en Costello.
Jorge belde de Cruz Roja op, het Rode Kruis uit de hoofdstad, op een onverlichte bergrit van een uur. En hij deed een uur lang wat hij bij iedere Mauretaanse aanspoeling deed: hij handhaafde klapwiekend de orde, à la española.
Eerst moesten de zwarte mannen uit de sloep gehesen worden. Alsof we dat nog niet wisten.
Wankele, stinkende menswrakken, uitgehongerd, doodop, te onderkoeld voor wanhoop. Geradbraakt. Kapot. Hoe zou u zelf zijn na drie dagen en drie nachten in een barre sloep op zee? De onvoorspelbare weg naar het land van melk en honing is moedig, maar nat en koud. De oceaan is eenzaam en bangelijk bij nacht, de wind kan boosaardig zijn.
De ziekste exemplaren legden we uit de wind maar zij die niet omvervielen moesten netjes in een rij onder de zwakke lichtjes van de kade gaan zitten zodat Jorge hen beter kon tellen.
‘Er zit er altijd wel ééntje bij die nog wil weglopen’, zei hij met beroepsernst en met de hand op de knuppel.
Het was een ondraaglijk stille, sombere rij, in geen woord, in geen foto te vertalen. Misschien enkel in een schilderij, met gehavende galeislaven in dreigend Rembrandt- zwart en bruin, of in een donker aangehouden cellotoon.
‘Tu, capitan? Ben jij de kapitein?’, vroeg de kleine Efraïn aan degene die vooraan zat.
‘No communicación! Met de vluchtelingen mag niet gepraat worden, riep Jorge, en daarbij, ze laten toch niks los’.
Een Duitse drama queen barstte in tranen uit: ‘Ich kann es nicht ansehen’.
Maar Humberto hield het moreel der omstaanders hoog: ‘Jongens, nu is het moment om naar Mauretanië te gaan, alle vrouwen zitten er alleen’.
‘Je vraagt je af hoe die mensen in het donker zo precies dit haventje gevonden hebben’, zei ik.
‘Met een G.P.S natuurlijk, lachte Humberto weer, bij de derde tonijnbank slaat u links af..’..
En dan kwam het Rode Kruis van over de berg in gele busjes aangereden. Met zijn fleece dekens en krachtkoekjes, zijn bloeddrukmeters en stethoscopen, zijn bemanning in witte astronautenpakjes. Witte plastieken spoken met een mondmaskertje op.
Dan kwam de schifting.
Wie ouder was dan zeventien kwam links te zitten en werd drie dagen later op een vliegtuig terug naar Mauretanië gezet. Wie jonger was, moest rechts en kreeg nog een kans in de welvaart.
De witte Rode Kruisers gingen de rij af: ‘Cuàntos años tienes? Hoe oud ben je?’
De Mauretaniërs gaven geen kik.
‘Misschien helpt het als je ze in het Frans aanspreekt’, zei ik.
Duizend Mauretaniërs waren er al aangespoeld, maar geen Spanjaard die dààr ooit had aan gedacht. Men ging ervan uit dat ze Mauretaans praatten.
Ik bukte me naar een willekeurige man van een jaar of vijfendertig en vroeg: ‘Quel âge avez-vous monsieur?’
Hij keek me bevend aan en fluisterde: ‘J’ai dix-sept ans madame’.
Allemaal waren ze zeventien, behalve de kinderen en zij die half bewusteloos waren. En één lieve jongen die me strak in de ogen keek: ‘J’ai dix-sept ans madame, mais ce n’est pas vrai. J’en ai dix-huit’.
Hij bleef me smekend aankijken, en ik hem. ‘Zeg dat je zeventien bent!’.
We kregen beiden rooie ogen. In de zijne las ik de lange lastige weg die nog voor hem lag.
Hoe zeg je in één verboden blik van tien seconden: Kom in mijn armen, bange jongen. Ik wil je troosten, je warmen, je de weg wijzen naar het geluk dat jij zoekt, je voeden en beschermen, je laten lachen en bloeien, maar ik mag niet.
‘Wel, hoe oud is hij, vroeg Jorge, ook zeventien zeker?’
‘Neen, deze is zestien’, zei ik.
Labels:
armoede,
Bootvluchtelingen,
Canarische eilanden,
Mauretanië,
onrecht,
Rode Kruis,
Slaven,
sloep,
welvaart
woensdag 4 februari 2009
Crisis
Geachte,
In de Streekkrant , Regio Vlaamse Ardennen las ik vandaag uw advertentie: ‘DRINGEND! Klassedame gezocht voor lucratieve post in nette zaak. Aziatische afkomst geen bezwaar’.
In de Streekkrant , Regio Vlaamse Ardennen las ik vandaag uw advertentie: ‘DRINGEND! Klassedame gezocht voor lucratieve post in nette zaak. Aziatische afkomst geen bezwaar’.
Ook verleden week en de week dààrvoor en ja zelfs alle weken voordien zag ik uw oproep staan.
Vanwege de dringendheid zit u dus in hoge nood. U heeft nog steeds geen klassedame gevonden, u blijft zoekende. Nu, dat hebben wij dan alvast gemeen want ook ik ben zoekende. Werkzoekend.
Eerst heb ik jaren in de creatieve branche gezocht en soms ook gevonden. In de talen, de beelden, de reclame enzomeer, maar bijzonder creatief ging het daar toen niet echt aan toe. Het was daar een beetje een kleffe boel, een mannenzaak met veel geblaat en weinig wol. Men keek er meer naar je boezem en je kont dan naar je creaties, je durfde je er niet bukken. En dat heb ik toen allemaal met de glimlach opgevangen. Klassedame dus.
In het arbeiderscircuit zat ik meer in mijn element. Men moest er aan de band hartelijk lachen om mijn grappen. Er kon tenminste hartelijk gegrapt worden, dat was een hele opluchting. Men maakte wel schalkse opmerkingen over je boezem maar men kneep niet in je kont. Althans niet in de mijne. ‘Masja, zeiden mijn collega’s, wij knijpen niet in je kont omdat wij je respecteren. Je bent een klassemadam’. Daar hebt u het weer.
Vanmiddag zag ik uw advertentie voor de tiende keer in de Streekkrant staan en ik vroeg aan mijn lief: ‘Lieveling, ben ik een klassedame?’. Ik was de patatten aan het schillen.
Hij kreeg de slappe lach. Ik voelde me daar eventjes onzeker van maar ik lachte mee tot hij helemaal uitgelachen was. Klassedame dus.
‘Koningin op straat, prinses in de keuken, hoer in bed, en daarbij nog verstand, riep hij, helemààl uw profiel!’. En hij kan het weten. Kenner in alle soorten van dames.
Hierbij dien ik mij aan als sterke kandidate voor uw lopende vacature voor klassedame in uw nette zaak.
Bovendien uit de streek, gevaccineerd en in het bezit van rijbewijs B.
Ingesloten mijn curriculum en bewijs van goed gedrag en zeden.
Hopende op ….enz…
Hoogachtend….
Masja Smirnova Smolenskaja
Vanwege de dringendheid zit u dus in hoge nood. U heeft nog steeds geen klassedame gevonden, u blijft zoekende. Nu, dat hebben wij dan alvast gemeen want ook ik ben zoekende. Werkzoekend.
Eerst heb ik jaren in de creatieve branche gezocht en soms ook gevonden. In de talen, de beelden, de reclame enzomeer, maar bijzonder creatief ging het daar toen niet echt aan toe. Het was daar een beetje een kleffe boel, een mannenzaak met veel geblaat en weinig wol. Men keek er meer naar je boezem en je kont dan naar je creaties, je durfde je er niet bukken. En dat heb ik toen allemaal met de glimlach opgevangen. Klassedame dus.
In het arbeiderscircuit zat ik meer in mijn element. Men moest er aan de band hartelijk lachen om mijn grappen. Er kon tenminste hartelijk gegrapt worden, dat was een hele opluchting. Men maakte wel schalkse opmerkingen over je boezem maar men kneep niet in je kont. Althans niet in de mijne. ‘Masja, zeiden mijn collega’s, wij knijpen niet in je kont omdat wij je respecteren. Je bent een klassemadam’. Daar hebt u het weer.
Vanmiddag zag ik uw advertentie voor de tiende keer in de Streekkrant staan en ik vroeg aan mijn lief: ‘Lieveling, ben ik een klassedame?’. Ik was de patatten aan het schillen.
Hij kreeg de slappe lach. Ik voelde me daar eventjes onzeker van maar ik lachte mee tot hij helemaal uitgelachen was. Klassedame dus.
‘Koningin op straat, prinses in de keuken, hoer in bed, en daarbij nog verstand, riep hij, helemààl uw profiel!’. En hij kan het weten. Kenner in alle soorten van dames.
Hierbij dien ik mij aan als sterke kandidate voor uw lopende vacature voor klassedame in uw nette zaak.
Bovendien uit de streek, gevaccineerd en in het bezit van rijbewijs B.
Ingesloten mijn curriculum en bewijs van goed gedrag en zeden.
Hopende op ….enz…
Hoogachtend….
Masja Smirnova Smolenskaja
vrijdag 30 januari 2009
IJstijdperk
U merkt het, ik ben weinig met wereldse zaken bezig. Voor commentaar op de wereldproblematiek, voor vraagtekens bij het laatste gedicht van P.V. Hortmans, voor kritiek op de kunstenmaker van de dag, op de moleculaire gastronomie of de botox van Brad Pitt zit u hier op het verkeerde blog. Klikt u rustig verder, bedankt voor uw bezoek en tot ziens misschien.
Ik denk overal het mijne van, dat wel, maar met het mondje dicht. Tuurlijk ben ik blij dat Obama gewonnen heeft. Tuurlijk ben ik boos op de idiotieën der aarde. Maar de buizen zitten al vol met miljarden meninkjes, debatjes over ditjes en datjes, weetjes over snufjes en sterren, en alles loopt nog precies als in het ijzertijdperk. Ik word daar nogal sprakeloos van.
Vanzelfsprekend lopen we niet meer met speren rond te zeulen, we kweken nu ons eigen wild, éérst temmen en dan doden. We dansen niet meer onder de maan, we zingen niet meer voor de zon. We bidden tot iets denkbeeldigs of we spelen zelf voor godje. Niet u en ik, maar die vele anderen.
En wat is het wezenlijke verschil met vroeger? Dat we, om het met enige plastiek te zeggen, gekweekt hebben als de konijnen en straks zullen stikken van de koeienscheten als alle Chinezen met mes en vork gaan eten en bidden voor de dagelijkse steak op hun taloor. Het is hun recht. Het is democratie.
En we leven nu langer. Vooral daar waar er geen oorlog is, daar leeft men langer. Daar heeft men een draaiende economie maar daar klaagt men ook vaker. En terecht, want van een draaiende economie kan je vreselijk duizelig worden. Je botst er ook voortdurend tegen malkander aan, maar je kan er wel sparen voor je pensioen.
Toch zijn er bij ons ook mensen die niet meer aan pensioensparen doen, zoals Sylvain en Monique Vermeulen bijvoorbeeld. Dat komt omdat zij de woorden van Patrick Geryl geloven, die met klem beweert dat de aarde over vier jaar zal vergaan, 21 december 2012, dat zegt hij. Omdat de Maya’s, de Egyptenaren en andere ouwe rakkers het zo in hun kalender hebben opgeschreven.
De aarde zal zich keren, de zeeën zullen 2500 meter stijgen, alle vulkanen barsten uit, de survivors zitten minstens vijf jaar in het donker zonder stroom.
‘Waarom zou je dan nog sparen?’, zegt Sylvain. ‘Mijn vrouw en ik, wij draaien er alles door. Zij heeft haar face- en borstlift afgebeld van zodra we ’t wisten. Met dat geld hebben we een boot gekocht en een lap grond op de Kilimanjaro, de enige veilige plek die nog zal overschieten. Maar of we daar dan zullen geraken? Want met een kompas ben je niks wanneer de aarde van koers verandert. Er komen ook hevige zonnestormen in 2012, dat heeft zelfs de Nasa voorspeld. En van zo’n storm alleen al slaat alles tilt’.
Ik weet wat u denkt. Maar stel nu eens, voor dertig seconden, dat Sylvain een beetje gelijk zou hebben. Dat we over pakweg vijf jaar naar de haaien gaan. Dat alle computergegevens zijn uitgewist, alle boeken en pennen verdronken. Dat we nog met een handjevol mensen op die koude bergtop zitten te bibberen. En dat alles weer van vooraf aan moet beginnen.
Wat hebben we dan nog om ons aan vast te klampen. Wat houdt ons wakker onder de gieren boven ons hoofd. Wat houdt de moed erin. Wat zegt ons dan nog: het moét.
Een goed verhaal toch?
donderdag 22 januari 2009
Puppy Love
Mevrouw Tijgermans zat onverschillig door het raam te staren, zoals zij de laatste dagen al vaker had gedaan. Blik op oneindig, uren lang naar buiten kijken. Die onverschilligheid.
Het was de ganse rotweek al miezerig geweest, geen zak op straat te beleven, de wereld lag er drassig bij. Binnen ronkte de kachel, want kachels kunnen spinnen als poezen maar bij hen heet dat ronken. En op de kachel stond een kippenbouillon te pruttelen die het huis met de geur van vet gevogelte vulde.
Voor het raam, in de kale perzikboom, hingen twee pimpelmezen aan een mezenbol te smullen. Onder de boom tippelde een roodborstje en een dikke merel sloop als een zwarte biljartbal door het natte gras.
De kippenbouillon liep over en siste op de kachel. Maar het deed mevrouw Tijgermans allemaal niets. Alles liet haar koud, het leek op winterdepressie. En achteraf denk je, was het dat maar geweest want winters en depressies zijn dingen die komen en dan weer voorbijgaan.
Ze rekte zich uit en stapte traag van het raam naar de voordeur, van de voordeur naar de achterdeur, van de achterdeur weer naar het raam. Zomaar, zonder iets te zoeken, geen hapje, geen drankje. Doelloos verdwalend in haar gedachten.
Ging er een deur voor haar open dan maakte zij geen aanstalten om naar buiten te glippen. Ze zat daar maar te zitten en begon in zichzelf te praten. Iets wat ze in die acht maanden tevoren nooit eerder had gedaan.
Haar stem klonk hees en slijmerig, ze deed je aan Tina Turner in A Private Dancer denken. En in haar ogen kwam die dromerige mengeling van torment en onbestemd verlangen. Iets religieus, iets opiaat, iets geils. Ze zuchtte geregeld.
Haar zusje Eufraat had allang opgegeven. Ze kwam niet meer vragen van: hey, zullen we iets gezelligs gaan doen? Zullen we nog eens in de linnenkast kruipen en in wat sokken gaan bijten, op het aanrecht springen en aan de borden likken, wat kranten versnipperen of in het bad gaan pissen?
Het was de ganse rotweek al miezerig geweest, geen zak op straat te beleven, de wereld lag er drassig bij. Binnen ronkte de kachel, want kachels kunnen spinnen als poezen maar bij hen heet dat ronken. En op de kachel stond een kippenbouillon te pruttelen die het huis met de geur van vet gevogelte vulde.
Voor het raam, in de kale perzikboom, hingen twee pimpelmezen aan een mezenbol te smullen. Onder de boom tippelde een roodborstje en een dikke merel sloop als een zwarte biljartbal door het natte gras.
De kippenbouillon liep over en siste op de kachel. Maar het deed mevrouw Tijgermans allemaal niets. Alles liet haar koud, het leek op winterdepressie. En achteraf denk je, was het dat maar geweest want winters en depressies zijn dingen die komen en dan weer voorbijgaan.
Ze rekte zich uit en stapte traag van het raam naar de voordeur, van de voordeur naar de achterdeur, van de achterdeur weer naar het raam. Zomaar, zonder iets te zoeken, geen hapje, geen drankje. Doelloos verdwalend in haar gedachten.
Ging er een deur voor haar open dan maakte zij geen aanstalten om naar buiten te glippen. Ze zat daar maar te zitten en begon in zichzelf te praten. Iets wat ze in die acht maanden tevoren nooit eerder had gedaan.
Haar stem klonk hees en slijmerig, ze deed je aan Tina Turner in A Private Dancer denken. En in haar ogen kwam die dromerige mengeling van torment en onbestemd verlangen. Iets religieus, iets opiaat, iets geils. Ze zuchtte geregeld.
Haar zusje Eufraat had allang opgegeven. Ze kwam niet meer vragen van: hey, zullen we iets gezelligs gaan doen? Zullen we nog eens in de linnenkast kruipen en in wat sokken gaan bijten, op het aanrecht springen en aan de borden likken, wat kranten versnipperen of in het bad gaan pissen?
Eufraat hield zich afzijdig. Ze begreep dat ze voor amusement op zichzelf aangewezen was en keek naar haar zus met een blik van: waarom?
En dan is het janken begonnen, dat eeuwige, onuitstaanbare janken, al tien dagen aan een stuk. Om verlossing uit de smart van het verlangen, van niet weten naar wie, naar wat en waarom. Niet weten dat je slechts speelbal bent van hormonale schommelingen en denken dat het aan jezelf, of aan iets hogers ligt. Dames weten wat ik bedoel.
Mevrouw Tijgermans loopt met haar buik over de vloer te schuren, staart omhoog, gat in de lucht. Alles in haar miauwt: help mij, neem mij, vervul mij toch, langs achteren liefst. Hartverscheurend om zien.
En toch wil ze niet naar buiten gaan. Alsof ze weet, als ik gepakt word dan is het gedaan met spelen. Dan ben ik geen poesje meer maar een kattin met liefdesverdriet. Een alleenstaande moeder met gezwollen buik, met katjes, en zorgen over tepelpijnen. Dan is de lol eraf. Dan verdwijnt onschuld en komen universele angst en twijfel.
Het janken begint bij het krieken van de dag, en stopt pas wanneer het laatste licht in huis uitgaat.
O jeugd, o tijd van smarten. Verliefd zijn en niet weten op wie. Van tevoren niet zien wie je zal beminnen. Van voren niet weten wie je langs achteren pakt.
En dan is het janken begonnen, dat eeuwige, onuitstaanbare janken, al tien dagen aan een stuk. Om verlossing uit de smart van het verlangen, van niet weten naar wie, naar wat en waarom. Niet weten dat je slechts speelbal bent van hormonale schommelingen en denken dat het aan jezelf, of aan iets hogers ligt. Dames weten wat ik bedoel.
Mevrouw Tijgermans loopt met haar buik over de vloer te schuren, staart omhoog, gat in de lucht. Alles in haar miauwt: help mij, neem mij, vervul mij toch, langs achteren liefst. Hartverscheurend om zien.
En toch wil ze niet naar buiten gaan. Alsof ze weet, als ik gepakt word dan is het gedaan met spelen. Dan ben ik geen poesje meer maar een kattin met liefdesverdriet. Een alleenstaande moeder met gezwollen buik, met katjes, en zorgen over tepelpijnen. Dan is de lol eraf. Dan verdwijnt onschuld en komen universele angst en twijfel.
Het janken begint bij het krieken van de dag, en stopt pas wanneer het laatste licht in huis uitgaat.
O jeugd, o tijd van smarten. Verliefd zijn en niet weten op wie. Van tevoren niet zien wie je zal beminnen. Van voren niet weten wie je langs achteren pakt.
donderdag 15 januari 2009
In de Gloria
Ik kwam eens in het hiernamaals terecht en op het eerste zicht maakte dat hiernamaals een aangename indruk.
Eerst moest je nog even bobslee rijden door een lange zwarte tunnel maar voor je daar kon over jammeren ging het licht aan en landde je netjes in een lumineus winkeltje, waar niets dan smetteloze orde heerste.
Wat meteen in dat winkeltje opviel: ik was er de enige klant, ik zat dus niet in de hel.
In het midden stond mooi centraal een massief eiken toonbank die veel weg had van de commode bij tante Annie die zij dan weer van een geheime minnaar had geërfd, waar ik u verder niets wil over zeggen. En achter die toonbank stond een vriendelijke winkelier in een witte schort te glimlachen. Hij had dan weer iets van mijn grootvader, even zwijgzaam, maar met een beter gebit. Geen vleugels.
“Mooi weer vandaag hé”, zei ik om het ijs te breken, want tenslotte zat je daar voor de eeuwigheid, je kon de toon niet positief genoeg zetten.
“Géén weer, is mooi weer”, glimlachte de winkelier.
Ik keek wat rond en zag aan de linkerkant een muur vol gouden bekers staan, bekers van winnaars, en aan de rechterkant hingen de medailles en de erelinten.
“Interessant, zei ik, zijn die allemaal voor mij?”.
Gezien de omstandigheid een meer dan logische vraag, en een geestige ook want je kunt natuurlijk niet geestig genoeg zijn in de eeuwigheid.
“Inderdaad, sprak de winkelier, die zijn allemaal voor u. U bent hier in de hemel. U kan hier zo vaak u wil naar de trofeeën kijken die u op aarde had willen verdienen”.
Ik nam een beker van een rek en las hardop: ‘Met dank aan martelares Masjenka voor het oplossen van het Irak probleem. Yours Osama&Obama’.
Op een andere beker stond: ‘Voor uw Recept tegen Aids, Kanker en Vogelgriep’. Op een andere: ‘Thanks for Feeding the World’ .
“Deze lijken mij al heel leuk, zei ik, zolang we die martelares maar kunnen schrappen, en die Osama&Obama”.
Er stonden zo wel honderd van die gepersonaliseerde bekers tegen de muur. Voor ‘het Allermooiste Gedicht’, voor ‘het Brengen van Rust&Vrede op Aarde’, ‘het Laten Zien der Blinden’, ‘het Laten Lopen der Lammen’, ‘het Laten Lachen der Bedroefden’, ‘het Afschaffen van Saai Werk’, voor ‘de Uitvinding der Anti-Machtspil’, voor ‘het Temperen der Voortplantingsdrang’, voor ‘Vrolijk Onderwijs’, ‘het Indijken der Tanderosie’ enzovoorts…
“U mag van elk drie stuks kiezen, zei de winkelier, drie bekers, drie erelinten, drie medailles die u overal mag dragen. En voor elk thema houden we om de negen dagen een Applaus Event. Op de dag van de Irakbeker bijvoorbeeld komen duizend Irakezen u bedanken en bezingen. Op de dag van de hongerbeker zijn het voornamelijk de Ethiopiërs, dan komen Sting en Bob Geldof voor u een liedje zingen”.
“Loopt Sting hier ook rond?”.
“Sting komt eraan, voor u het weet, komt hij kwelen. In afwachting moeten de Ethiopiërs het met Pavarotti doen. Maar deze heren hebben al zoveel applaus gekregen dat ze het nu een tijdje zonder kunnen stellen… Heeft u het assortiment erelinten en medailles al bekeken?”.
Ik nam het eerste het beste erelint en las: ‘To Masjenka, the Greatest Lover. From the Boys’.
Ik nam een medaille, die van de Orde der Jeneverbesjes kwam.
“Doe deze alvast in de winkelmand, zei ik, dat worden dan tenminste gezellige applauspartys”.
“Kijkt u eerst toch maar eens rustig rond”, zei de winkelier. “U heeft al de tijd. En vergist u zich niet. Lichamelijk genot valt hier niet meer te beleven, wij hebben geen lichamen meer. Ook vermoeidheid en pijn zijn verdwenen, maar u kan bijvoorbeeld van geen Jenevertje meer genieten. U krijgt enkel applaus. Sommigen raken daar teut genoeg van hoor”.
Ik begon nerveus naar de uitgang te zoeken maar zag er geen. En op dat ogenblik voelde ik een bliksemflits door de winkelvitrine en zag ik een fotograaf, die deze foto nam.
Eerst moest je nog even bobslee rijden door een lange zwarte tunnel maar voor je daar kon over jammeren ging het licht aan en landde je netjes in een lumineus winkeltje, waar niets dan smetteloze orde heerste.
Wat meteen in dat winkeltje opviel: ik was er de enige klant, ik zat dus niet in de hel.
In het midden stond mooi centraal een massief eiken toonbank die veel weg had van de commode bij tante Annie die zij dan weer van een geheime minnaar had geërfd, waar ik u verder niets wil over zeggen. En achter die toonbank stond een vriendelijke winkelier in een witte schort te glimlachen. Hij had dan weer iets van mijn grootvader, even zwijgzaam, maar met een beter gebit. Geen vleugels.
“Mooi weer vandaag hé”, zei ik om het ijs te breken, want tenslotte zat je daar voor de eeuwigheid, je kon de toon niet positief genoeg zetten.
“Géén weer, is mooi weer”, glimlachte de winkelier.
Ik keek wat rond en zag aan de linkerkant een muur vol gouden bekers staan, bekers van winnaars, en aan de rechterkant hingen de medailles en de erelinten.
“Interessant, zei ik, zijn die allemaal voor mij?”.
Gezien de omstandigheid een meer dan logische vraag, en een geestige ook want je kunt natuurlijk niet geestig genoeg zijn in de eeuwigheid.
“Inderdaad, sprak de winkelier, die zijn allemaal voor u. U bent hier in de hemel. U kan hier zo vaak u wil naar de trofeeën kijken die u op aarde had willen verdienen”.
Ik nam een beker van een rek en las hardop: ‘Met dank aan martelares Masjenka voor het oplossen van het Irak probleem. Yours Osama&Obama’.
Op een andere beker stond: ‘Voor uw Recept tegen Aids, Kanker en Vogelgriep’. Op een andere: ‘Thanks for Feeding the World’ .
“Deze lijken mij al heel leuk, zei ik, zolang we die martelares maar kunnen schrappen, en die Osama&Obama”.
Er stonden zo wel honderd van die gepersonaliseerde bekers tegen de muur. Voor ‘het Allermooiste Gedicht’, voor ‘het Brengen van Rust&Vrede op Aarde’, ‘het Laten Zien der Blinden’, ‘het Laten Lopen der Lammen’, ‘het Laten Lachen der Bedroefden’, ‘het Afschaffen van Saai Werk’, voor ‘de Uitvinding der Anti-Machtspil’, voor ‘het Temperen der Voortplantingsdrang’, voor ‘Vrolijk Onderwijs’, ‘het Indijken der Tanderosie’ enzovoorts…
“U mag van elk drie stuks kiezen, zei de winkelier, drie bekers, drie erelinten, drie medailles die u overal mag dragen. En voor elk thema houden we om de negen dagen een Applaus Event. Op de dag van de Irakbeker bijvoorbeeld komen duizend Irakezen u bedanken en bezingen. Op de dag van de hongerbeker zijn het voornamelijk de Ethiopiërs, dan komen Sting en Bob Geldof voor u een liedje zingen”.
“Loopt Sting hier ook rond?”.
“Sting komt eraan, voor u het weet, komt hij kwelen. In afwachting moeten de Ethiopiërs het met Pavarotti doen. Maar deze heren hebben al zoveel applaus gekregen dat ze het nu een tijdje zonder kunnen stellen… Heeft u het assortiment erelinten en medailles al bekeken?”.
Ik nam het eerste het beste erelint en las: ‘To Masjenka, the Greatest Lover. From the Boys’.
Ik nam een medaille, die van de Orde der Jeneverbesjes kwam.
“Doe deze alvast in de winkelmand, zei ik, dat worden dan tenminste gezellige applauspartys”.
“Kijkt u eerst toch maar eens rustig rond”, zei de winkelier. “U heeft al de tijd. En vergist u zich niet. Lichamelijk genot valt hier niet meer te beleven, wij hebben geen lichamen meer. Ook vermoeidheid en pijn zijn verdwenen, maar u kan bijvoorbeeld van geen Jenevertje meer genieten. U krijgt enkel applaus. Sommigen raken daar teut genoeg van hoor”.
Ik begon nerveus naar de uitgang te zoeken maar zag er geen. En op dat ogenblik voelde ik een bliksemflits door de winkelvitrine en zag ik een fotograaf, die deze foto nam.
donderdag 8 januari 2009
A West Side Story
Op een dag in december vraagt iemand ‘Ga je mee naar New York?’ en ik zeg stomweg ja. Vraag me niet meer waarom, ’t is al twintig jaar geleden. Oh ja, ik weet het weer, het was een hele mooie jongen die het vroeg.
En daar zaten we dan on Broadway Manhattan in een leeg appartementje van een kennis, en we deden alles wat een jongen en een meisje in Manhattan zoal kunnen doen, behalve aan mekaar likken. Dat deden we dan weer veel te weinig.
Verpletterd worden in de subway, omver gelopen op Time Square door vluchtend schorremorrie, indigestie vreten in Chinatown. Vier dollar betalen voor een fletse Corona, scheldtirades van oververhitte cab drivers ondergaan. Voor een Bakery Store naar gifgroene, cyaankaliblauwe en fluogele taarten staan kijken en naar de verkoopster met het karamelsoezenkapsel, een pièce montée op haar hoofd.
Aanschuiven bij het Moma en bij de conceptuelen in je broek doen omdat je het toilet niet vindt. Dames in bontjas zien paraderen on Fifth Avenue en lijmsnuivende hobo's zien bedelen daar vlak om de hoek. Raquel Welsh op het voetpad kruisen en vaststellen dat ze zelfs op haar haklaarsjes toch wel een zeer klein dametje is. Een musical zien, hard applaudisseren en toch denken: is that all there is?
’s Nachts Vodka bij de Viëtnamees gaan halen want alles blijft open on Broadway en je slaapt toch niet. Overal sirenes die loeien en loeien, a city that never sleeps, en jij ook niet dus.
Een ganse nacht met twee onbetaalbare wijntjes passeren in een jazzclub in Greenwich waar de black waitress veel mooier zingt dan de witte vedette. Toekijken hoe een Japanner in een Lacoste mohairtje de pianist omkoopt. Aanhoren hoe vals hij My Way zingt.
Op een coctail party uitgenodigd worden, chips vreten die je in een marshmallow dip moet doppen, champaign drinken, glimlachen en denken: is that all there is? Maar eerst uren verloren rijden met de taxi om het adres te vinden want de straten van de West Side hebben maar weinig namen. Een brede weg noemen ze daar Broadway, een weg die naast het park loopt is een Park Avenue, maar verder hebben straten er nummers en die nummers moet je duidelijk opschrijven voor in het donker.
En dan zet men je na zo’n party weer bij je building af, je haalt de sleutelbos al uit je jaszak want er zitten maar liefst vijf sloten op die stalen deur van het appartement, dat wordt nog even sleutelen.
Er ligt een dikke zwarte dame in de lift met een selder op haar buik en een bosje prei tussen haar benen. De lift ruikt zwaar naar de drank.
‘Are you all right mam?’, vraag je.
‘I guess I am, reutelt ze, I just keep having this feeling of going up and down’.
Dat is dan de eerste keer in New York dat je moet lachen.
’s Anderendaags, die jongen ziet er al veel minder mooi uit en ik ben een zombie, zegt hij: ‘Laten we vandaag eens naar het vrijheidsstandbeeld varen en eerst even bij het WTC stoppen om naar de bovenste verdieping te gaan’.
‘Vaar jij maar rustig alleen Popeye, zeg ik, ik hoef dat vrijheidsstandbeeld niet te zien en dat hele WTC kan me gestolen worden’.
‘Wat wil jij dan doen?’, vraagt hij met iets dat op verwijt lijkt in zijn ogen.
‘Rusten, zeg ik, een dagje alleen zijn’.
En ook dàt begrijpt hij dan niet.
En daar zaten we dan on Broadway Manhattan in een leeg appartementje van een kennis, en we deden alles wat een jongen en een meisje in Manhattan zoal kunnen doen, behalve aan mekaar likken. Dat deden we dan weer veel te weinig.
Verpletterd worden in de subway, omver gelopen op Time Square door vluchtend schorremorrie, indigestie vreten in Chinatown. Vier dollar betalen voor een fletse Corona, scheldtirades van oververhitte cab drivers ondergaan. Voor een Bakery Store naar gifgroene, cyaankaliblauwe en fluogele taarten staan kijken en naar de verkoopster met het karamelsoezenkapsel, een pièce montée op haar hoofd.
Aanschuiven bij het Moma en bij de conceptuelen in je broek doen omdat je het toilet niet vindt. Dames in bontjas zien paraderen on Fifth Avenue en lijmsnuivende hobo's zien bedelen daar vlak om de hoek. Raquel Welsh op het voetpad kruisen en vaststellen dat ze zelfs op haar haklaarsjes toch wel een zeer klein dametje is. Een musical zien, hard applaudisseren en toch denken: is that all there is?
’s Nachts Vodka bij de Viëtnamees gaan halen want alles blijft open on Broadway en je slaapt toch niet. Overal sirenes die loeien en loeien, a city that never sleeps, en jij ook niet dus.
Een ganse nacht met twee onbetaalbare wijntjes passeren in een jazzclub in Greenwich waar de black waitress veel mooier zingt dan de witte vedette. Toekijken hoe een Japanner in een Lacoste mohairtje de pianist omkoopt. Aanhoren hoe vals hij My Way zingt.
Op een coctail party uitgenodigd worden, chips vreten die je in een marshmallow dip moet doppen, champaign drinken, glimlachen en denken: is that all there is? Maar eerst uren verloren rijden met de taxi om het adres te vinden want de straten van de West Side hebben maar weinig namen. Een brede weg noemen ze daar Broadway, een weg die naast het park loopt is een Park Avenue, maar verder hebben straten er nummers en die nummers moet je duidelijk opschrijven voor in het donker.
En dan zet men je na zo’n party weer bij je building af, je haalt de sleutelbos al uit je jaszak want er zitten maar liefst vijf sloten op die stalen deur van het appartement, dat wordt nog even sleutelen.
Er ligt een dikke zwarte dame in de lift met een selder op haar buik en een bosje prei tussen haar benen. De lift ruikt zwaar naar de drank.
‘Are you all right mam?’, vraag je.
‘I guess I am, reutelt ze, I just keep having this feeling of going up and down’.
Dat is dan de eerste keer in New York dat je moet lachen.
’s Anderendaags, die jongen ziet er al veel minder mooi uit en ik ben een zombie, zegt hij: ‘Laten we vandaag eens naar het vrijheidsstandbeeld varen en eerst even bij het WTC stoppen om naar de bovenste verdieping te gaan’.
‘Vaar jij maar rustig alleen Popeye, zeg ik, ik hoef dat vrijheidsstandbeeld niet te zien en dat hele WTC kan me gestolen worden’.
‘Wat wil jij dan doen?’, vraagt hij met iets dat op verwijt lijkt in zijn ogen.
‘Rusten, zeg ik, een dagje alleen zijn’.
En ook dàt begrijpt hij dan niet.
donderdag 1 januari 2009
Engelenpis
Iedere donderdagavond was er repetitie, en op zondagmorgen zongen we de hoogmis.
Dan stormden we met ons twaalftal, tien jongens en twee meisjes, de sacristie binnen waar onze witte pijtjes hingen en waar de gezegende kast met de miswijn en de hosties stond.
Meestal vergat de koster die kast op slot te doen, een vitale fout, want wij sloegen altijd even goddeloos toe. We namen elk een geut miswijn, die was lekker zoet, en we propten onze mond vol hosties. Ik heb toen zoveel hosties gevreten dat ik levenslang gezalfd ben vanbinnen. Enkel Carla Stockmans en Freddy Verstrepen deden niet mee, die waren van zichzelf al heiliger dan de paus, die kakten wierookwolkjes.
Bartje Bogaerts was zonder twijfel onze leider. Hij verstond Latijn, hij was degene die het meeste durfde, het haantje de voorste, en ik zal het maar meteen toegeven: hij was mijn held en ik zijn heldin, ook al scheelden we aanzienlijk in jaren. Hij was bijna dertien, ik amper negen.
Bartje was lang, mager en bleek en hij had de blik van een ziek vogeltje, een droevige duif. Maar jongens wat een temperament, en wat een stem. Wanneer hij solo zong dan hoorde je geen kuchje meer in de kerk, dan hoorde iedereen een engel zingen. Daardoor maakte hij ons koor beroemd, we traden hier en daar al eens op in een bejaardentehuis of in andere kerken, we kwamen met onze hoogmis zelfs op t.v.
Op een zaterdagmorgen, vlak voor de begrafenis van de burgemeester, we hadden de fles miswijn tot op de bodem leeg getutterd en de kurkentrekker voor de andere flessen was zoek. De burgemeester was al binnengedragen, de koster was al vier keer komen zien waar we bleven, er was paniek. “Zie je wel! Dat is jullie straf”, riep Carla Stockmans. Maar toen schortte Bartje zijn pijtje op, pakte de lege fles en zei “ Ik pis hier wel wat wijn in”. Ik mocht de fles vasthouden.
Voor de consecratie gaf Bartje weer a capella kippenvel met zijn Pie Jésu en wij vielen tweestemmig in.
Meneer pastoor nam de gouden kelk met pis in zijn plechtige handen, hief haar ten hemel en sprak: “Dit is de kelk van mijn bloed, van het nieuwe-en altijddurende verbond, dat voor u en voor velen wordt vergoten tot vergeving van de zonden”.
Het belletje rinkelde. Hij nam een slok, en kuchte. Hij gaf de kelk aarzelend door aan de onderpastoor. Het was nog de tijd waarin de kerk goed boerde en pastoors niet alleen hoefden te drinken achter hun altaar. Wij stonden achter het altaar opgesteld, we konden hun gezichten niet zien, maar zelfs Carla en Freddy kregen de slappe lach.
“Wie heeft dit gedaan!”, brulde meneer pastoor na de dienst in de sacristie. Ik weet wie het níet gedaan heeft, dat zijn Freddy en Carla, maar alle anderen zullen branden in de hel als ze niet opbiechten wie de dader is. Gij Masja, zegt gij mij eens wie het was!”.
Er was geen ontkomen aan. Iémand moest hangen.
“Het was Jezus, meneer pastoor… In de mis hebt ge gepreekt dat we moeten geloven omdat Jezus water in wijn verandert. Misschien wou Jezus eens wijn in water veranderen, en is het een beetje mislukt”.
Je bent heldin of je bent het niet. Bartje keek mij dankbaar aan, met zoveel bewondering in zijn duivenoogjes als ik er nadien nooit meer in een mannenoog heb gezien.
Twee seizoenen later kreeg hij de baard in de keel. Hij zong niet langer als een engel maar als een sterveling.
En vanaf die dag, vanaf die baard in zijn keel wist ik : hij heeft mij niet meer nodig.
Het deed eventjes pijn, maar daarna liet ik hem los, en is hij voorgoed uit mijn hoofd gefladderd.
Nu ja… voorgoed?
Dan stormden we met ons twaalftal, tien jongens en twee meisjes, de sacristie binnen waar onze witte pijtjes hingen en waar de gezegende kast met de miswijn en de hosties stond.
Meestal vergat de koster die kast op slot te doen, een vitale fout, want wij sloegen altijd even goddeloos toe. We namen elk een geut miswijn, die was lekker zoet, en we propten onze mond vol hosties. Ik heb toen zoveel hosties gevreten dat ik levenslang gezalfd ben vanbinnen. Enkel Carla Stockmans en Freddy Verstrepen deden niet mee, die waren van zichzelf al heiliger dan de paus, die kakten wierookwolkjes.
Bartje Bogaerts was zonder twijfel onze leider. Hij verstond Latijn, hij was degene die het meeste durfde, het haantje de voorste, en ik zal het maar meteen toegeven: hij was mijn held en ik zijn heldin, ook al scheelden we aanzienlijk in jaren. Hij was bijna dertien, ik amper negen.
Bartje was lang, mager en bleek en hij had de blik van een ziek vogeltje, een droevige duif. Maar jongens wat een temperament, en wat een stem. Wanneer hij solo zong dan hoorde je geen kuchje meer in de kerk, dan hoorde iedereen een engel zingen. Daardoor maakte hij ons koor beroemd, we traden hier en daar al eens op in een bejaardentehuis of in andere kerken, we kwamen met onze hoogmis zelfs op t.v.
Op een zaterdagmorgen, vlak voor de begrafenis van de burgemeester, we hadden de fles miswijn tot op de bodem leeg getutterd en de kurkentrekker voor de andere flessen was zoek. De burgemeester was al binnengedragen, de koster was al vier keer komen zien waar we bleven, er was paniek. “Zie je wel! Dat is jullie straf”, riep Carla Stockmans. Maar toen schortte Bartje zijn pijtje op, pakte de lege fles en zei “ Ik pis hier wel wat wijn in”. Ik mocht de fles vasthouden.
Voor de consecratie gaf Bartje weer a capella kippenvel met zijn Pie Jésu en wij vielen tweestemmig in.
Meneer pastoor nam de gouden kelk met pis in zijn plechtige handen, hief haar ten hemel en sprak: “Dit is de kelk van mijn bloed, van het nieuwe-en altijddurende verbond, dat voor u en voor velen wordt vergoten tot vergeving van de zonden”.
Het belletje rinkelde. Hij nam een slok, en kuchte. Hij gaf de kelk aarzelend door aan de onderpastoor. Het was nog de tijd waarin de kerk goed boerde en pastoors niet alleen hoefden te drinken achter hun altaar. Wij stonden achter het altaar opgesteld, we konden hun gezichten niet zien, maar zelfs Carla en Freddy kregen de slappe lach.
“Wie heeft dit gedaan!”, brulde meneer pastoor na de dienst in de sacristie. Ik weet wie het níet gedaan heeft, dat zijn Freddy en Carla, maar alle anderen zullen branden in de hel als ze niet opbiechten wie de dader is. Gij Masja, zegt gij mij eens wie het was!”.
Er was geen ontkomen aan. Iémand moest hangen.
“Het was Jezus, meneer pastoor… In de mis hebt ge gepreekt dat we moeten geloven omdat Jezus water in wijn verandert. Misschien wou Jezus eens wijn in water veranderen, en is het een beetje mislukt”.
Je bent heldin of je bent het niet. Bartje keek mij dankbaar aan, met zoveel bewondering in zijn duivenoogjes als ik er nadien nooit meer in een mannenoog heb gezien.
Twee seizoenen later kreeg hij de baard in de keel. Hij zong niet langer als een engel maar als een sterveling.
En vanaf die dag, vanaf die baard in zijn keel wist ik : hij heeft mij niet meer nodig.
Het deed eventjes pijn, maar daarna liet ik hem los, en is hij voorgoed uit mijn hoofd gefladderd.
Nu ja… voorgoed?
woensdag 24 december 2008
Me and my Pal
Aan het eind van de kerkstraat, niet ver van de Dender, was er een cinemaatje dat Ciné Albert heette. ’s Winters was het er fris, je hield er beter je mutsje op , maar je kocht toch een zakje ijspralines van het zakgeld dat je op zondag van oma had gekregen. Tien frank voor vijf vanille ijsballetjes in een chocoladejasje, van Artic. Het hoorde erbij.
De verkoopster had een grappig hoedje op en ze lachte altijd. Ze lachte meer dan andere mensen die ik kende en ze stelde je iedere keer voor de fundamentele keuze: ‘mét of zonder nootjes’. Dat waren van die zeldzame seconden dat je eens mócht kiezen en je koos altijd mét, want mét leek méér dan zonder.
We zaten op houten klapstoelen die piepten als je bewoog en het scherm hing boven een podium. Voor het podium hingen twee dikke rode gordijnen en voor die gordijnen stond een houten bakje dat op een radio leek. Daar kwamen de stemmen uit, de reclame voor de ijspralines van Artic, en de muziek.
De lichten gingen uit, gordijnen schoven open, het witte scherm verscheen, en dan gebeurde het. Dan kwam de magie. Je had nog geen besef van goed en kwaad, van slechte en goeie film. Je was gewoon blij dat het doek openging en dat iedereen eindelijk eens zijn snater hield.
Ik weet nog die kerstvakantie dat Sneeuwwitje werd gedraaid. Een zondagnamiddag. Eenmalige voorstelling, er werd allang op voorhand over gepraat in de klas en bij de kruidenier.
De verkoopster had een grappig hoedje op en ze lachte altijd. Ze lachte meer dan andere mensen die ik kende en ze stelde je iedere keer voor de fundamentele keuze: ‘mét of zonder nootjes’. Dat waren van die zeldzame seconden dat je eens mócht kiezen en je koos altijd mét, want mét leek méér dan zonder.
We zaten op houten klapstoelen die piepten als je bewoog en het scherm hing boven een podium. Voor het podium hingen twee dikke rode gordijnen en voor die gordijnen stond een houten bakje dat op een radio leek. Daar kwamen de stemmen uit, de reclame voor de ijspralines van Artic, en de muziek.
De lichten gingen uit, gordijnen schoven open, het witte scherm verscheen, en dan gebeurde het. Dan kwam de magie. Je had nog geen besef van goed en kwaad, van slechte en goeie film. Je was gewoon blij dat het doek openging en dat iedereen eindelijk eens zijn snater hield.
Ik weet nog die kerstvakantie dat Sneeuwwitje werd gedraaid. Een zondagnamiddag. Eenmalige voorstelling, er werd allang op voorhand over gepraat in de klas en bij de kruidenier.
Alle kinderen van ons stadje stonden aan te schuiven, het was drummen en duwen aan de kassa, met snotneuzen en sneeuwballen. Madame Albert kreeg een zenuwinzinking achter haar loket en kroop uit haar hokje. “Allemaal éen voor één, schreeuwde ze als een kalkoen, allemaal braaf op het voetpad op een rij! Dat ik geen sneeuwbal meer zie! En zwijgen alstublieft!”.
Het zaaltje barstte van de uitgelaten kinderen, het ging er luid aan toe, maar toen de rode gordijnen openschoven, gebeurde het weer. Stilte, verwachting in de hartjes. En er gebeurde ook iets met mij, iets dat ik nog altijd meedraag.
Het was nog de tijd van de voorfilmpjes. Na het voorfilmpje was er plaspauze en kwam de Artic dame weer. Ik weet niet hoeveel voorfilms ik gezien heb maar die zondagnamiddag, vóór Sneeuwwitje, zag ik voor het eerst in mijn leven den Dikken en den Dunnen spelen en ontdekte ik een gevoel dat ik nog nooit had meegemaakt. Ik moest een half uur lang zo verschrikkelijk lachen dat ik daar een ganse week gelukkig van liep. En alle kinderen in de cinema lachten even hard mee, tranen van het lachen, kaakjes en buikjes deden zeer. Achteraf werd nog lang verteld over het legendarische kindergelach dat te horen was tot voorbij de kerk. Het was een intens gelukkig moment geweest in Dendermonde.
Het leven leidde me ver van Ciné Albert maar ik ben altijd in de buurt blijven hangen van zachtmoedige mensen zonder sterallures die mij doen lachen. En van Stan Laurel en Oliver Hardy, of course.
Twee jaar geleden werden me and my pals, Koen en Yves, lid van ‘Me and my Pal’, de Laurel&Hardy tent in Lede. Daar worden we vier keer per jaar door onze Grand Sheik Mark in de watten gelegd met filmpjes en drankjes tijdens de pauze, met of zonder stukske taart. Met vier keer een tijdschrift in de bus vol foto's en weetjes over onze helden, zelfs een kruiswoordraadsel stelt hij voor ons op, daar heeft hij een speciaal programmaatje voor gekocht. Soms zet hij de grappige fez uit Sons of the Desert op zijn kop.
En daar zitten we dan, vijftig grote kinderen - sommigen helemaal uit Amsterdam - in zaal Intermezzo te wachten op het beginmelodietje. Voor de pauze twee kortfilmpjes, daarna een lekkere lange. Nog altijd legendarisch te lachen. Gedeeld lachen telt in ‘t kwadraat.
“Tell me that again Stanley…”
Well, if you feel you need a laugh, and you are on your own, you better go to a big square room and multiply with many fools on a chair, looking at two other fools, and…
Het zaaltje barstte van de uitgelaten kinderen, het ging er luid aan toe, maar toen de rode gordijnen openschoven, gebeurde het weer. Stilte, verwachting in de hartjes. En er gebeurde ook iets met mij, iets dat ik nog altijd meedraag.
Het was nog de tijd van de voorfilmpjes. Na het voorfilmpje was er plaspauze en kwam de Artic dame weer. Ik weet niet hoeveel voorfilms ik gezien heb maar die zondagnamiddag, vóór Sneeuwwitje, zag ik voor het eerst in mijn leven den Dikken en den Dunnen spelen en ontdekte ik een gevoel dat ik nog nooit had meegemaakt. Ik moest een half uur lang zo verschrikkelijk lachen dat ik daar een ganse week gelukkig van liep. En alle kinderen in de cinema lachten even hard mee, tranen van het lachen, kaakjes en buikjes deden zeer. Achteraf werd nog lang verteld over het legendarische kindergelach dat te horen was tot voorbij de kerk. Het was een intens gelukkig moment geweest in Dendermonde.
Het leven leidde me ver van Ciné Albert maar ik ben altijd in de buurt blijven hangen van zachtmoedige mensen zonder sterallures die mij doen lachen. En van Stan Laurel en Oliver Hardy, of course.
Twee jaar geleden werden me and my pals, Koen en Yves, lid van ‘Me and my Pal’, de Laurel&Hardy tent in Lede. Daar worden we vier keer per jaar door onze Grand Sheik Mark in de watten gelegd met filmpjes en drankjes tijdens de pauze, met of zonder stukske taart. Met vier keer een tijdschrift in de bus vol foto's en weetjes over onze helden, zelfs een kruiswoordraadsel stelt hij voor ons op, daar heeft hij een speciaal programmaatje voor gekocht. Soms zet hij de grappige fez uit Sons of the Desert op zijn kop.
En daar zitten we dan, vijftig grote kinderen - sommigen helemaal uit Amsterdam - in zaal Intermezzo te wachten op het beginmelodietje. Voor de pauze twee kortfilmpjes, daarna een lekkere lange. Nog altijd legendarisch te lachen. Gedeeld lachen telt in ‘t kwadraat.
“Tell me that again Stanley…”
Well, if you feel you need a laugh, and you are on your own, you better go to a big square room and multiply with many fools on a chair, looking at two other fools, and…
donderdag 18 december 2008
Ruimtetuig
Uit het logboek van kapitein Maggie Mc Telt
Officer in charge van het I.P. Intergalactisch postorderbedrijf
Werkdag 3095
We staan al twee weken in panne op Zeron X en nu ben ik het zat. Geen zak te beleven hier. De planeet heeft dan wel vier zonnen maar ze draait niet, ze is altijd gehuld in een melige zonsondergang, dag en nacht. Dat heeft een irritant effect op de bemanning. Niemand lacht nog. Ze lopen allemaal te mijmeren en te zuchten, Ibsen en Strindberg te citeren. Maak ik daar een grapje over dan staren ze naar de zonsondergang en zuchten ze ‘ach, jij begrijpt het allemaal niet’, of iets van die strekking. Terwijl ik verdorie alles begrijp. Ik lijk hier wel in een eternal Ingmar Bergman film beland.
Daarnet hoorde ik een conversatie tussen onze twee knappe fitness commanders, jongens van wie je denkt dat ze daar toch een beetje boven staan, maar nee hoor. “Was het jou ook al eerder opgevallen hoe oppervlakkig onze kapitein Maggie eigenlijk is?” vroeg de ene, waarop de andere zuchtte: “Ik heb het altijd wel vermoed, maar de laatste dagen valt het meer op ja”.
En dan die Zeroniksers, daar valt helemaal geen planeet mee te bezeilen, laat staan, een kosmos. Zo intellectueel als de pest, maar geenéén die een laserpulsor wil hanteren. Ze kunnen het wel hoor, slim genoeg, maar ze willen niet. Altijd maar klagen over hypersensiviteit, allergieën, dat soort dingen. Laatst zei er eentje dat hij van de laserpulsor nachtmerries krijgt en hij begon er meteen één te vertellen. Een hele lange lugubere met een open einde, terwijl ik me nota bene in ’t zweet te pulseren stond. “Je luistert niet naar me, zei hij, ik kan niet praten tegen iemand die niet naar me luistert”.
Nu ja, hun handen staan ook letterlijk scheef, kleine klauwtjes zijn het nog. En altijd maar dat telepathisch zeuren en zeuren over de zin van alles en niks. Over welke schrijver wat gezegd heeft en waarom. Die ernst mensen!
’t Zijn wel onze belangrijkste afnemers van boeken, dat moet je ze weer aangeven.
Kijk, dat vraag ik me dan af. Hoe komt het dat , in welke galactie je ook komt, de interessantste planeten meestal die zijn waar het boek de chip heeft overleefd? Want hier valt dan wel niks te beleven maar interessant is het wél. En je voelt je hier ook veilig. Voor piraterij is men gewoon te moe.
’t Zijn niet overal boeken van papier, dat spreekt vanzelf. Op Hytopol 3 bijvoorbeeld gebruiken ze QPsç als grondstof voor de drager van de letters. Het boek ruikt daar naar gefermenteerde kippensoep, maar daar hebben ze op Hytopol 3 geen last van want ze hebben er geen neuzen meer. Die zijn er al zo goed als afgeëvolueerd.
Officer in charge van het I.P. Intergalactisch postorderbedrijf
Werkdag 3095
We staan al twee weken in panne op Zeron X en nu ben ik het zat. Geen zak te beleven hier. De planeet heeft dan wel vier zonnen maar ze draait niet, ze is altijd gehuld in een melige zonsondergang, dag en nacht. Dat heeft een irritant effect op de bemanning. Niemand lacht nog. Ze lopen allemaal te mijmeren en te zuchten, Ibsen en Strindberg te citeren. Maak ik daar een grapje over dan staren ze naar de zonsondergang en zuchten ze ‘ach, jij begrijpt het allemaal niet’, of iets van die strekking. Terwijl ik verdorie alles begrijp. Ik lijk hier wel in een eternal Ingmar Bergman film beland.
Daarnet hoorde ik een conversatie tussen onze twee knappe fitness commanders, jongens van wie je denkt dat ze daar toch een beetje boven staan, maar nee hoor. “Was het jou ook al eerder opgevallen hoe oppervlakkig onze kapitein Maggie eigenlijk is?” vroeg de ene, waarop de andere zuchtte: “Ik heb het altijd wel vermoed, maar de laatste dagen valt het meer op ja”.
En dan die Zeroniksers, daar valt helemaal geen planeet mee te bezeilen, laat staan, een kosmos. Zo intellectueel als de pest, maar geenéén die een laserpulsor wil hanteren. Ze kunnen het wel hoor, slim genoeg, maar ze willen niet. Altijd maar klagen over hypersensiviteit, allergieën, dat soort dingen. Laatst zei er eentje dat hij van de laserpulsor nachtmerries krijgt en hij begon er meteen één te vertellen. Een hele lange lugubere met een open einde, terwijl ik me nota bene in ’t zweet te pulseren stond. “Je luistert niet naar me, zei hij, ik kan niet praten tegen iemand die niet naar me luistert”.
Nu ja, hun handen staan ook letterlijk scheef, kleine klauwtjes zijn het nog. En altijd maar dat telepathisch zeuren en zeuren over de zin van alles en niks. Over welke schrijver wat gezegd heeft en waarom. Die ernst mensen!
’t Zijn wel onze belangrijkste afnemers van boeken, dat moet je ze weer aangeven.
Kijk, dat vraag ik me dan af. Hoe komt het dat , in welke galactie je ook komt, de interessantste planeten meestal die zijn waar het boek de chip heeft overleefd? Want hier valt dan wel niks te beleven maar interessant is het wél. En je voelt je hier ook veilig. Voor piraterij is men gewoon te moe.
’t Zijn niet overal boeken van papier, dat spreekt vanzelf. Op Hytopol 3 bijvoorbeeld gebruiken ze QPsç als grondstof voor de drager van de letters. Het boek ruikt daar naar gefermenteerde kippensoep, maar daar hebben ze op Hytopol 3 geen last van want ze hebben er geen neuzen meer. Die zijn er al zo goed als afgeëvolueerd.
dinsdag 16 december 2008
Beste huisbaas,
Al bijna negen jaar betrek ik mijn woning met liefde. Eigenlijk is het uw woning, ik weet het, maar dat is jammer. Want als het mijn woning was dan zou ik vriendelijker met haar omgaan, ook de persoon die haar met liefde betrekt zou ik anders behandelen, maar u bent mij niet. U zou bijvoorbeeld nooit in dit huisje willen wonen omdat u een andere smaak heeft. Liefst van al zou u het met de grond gelijk willen maken en een architectonische vloek in de plaats zetten. Maar daar bent u nog niet aan toe. Eerst moet het huisje nog gemolken worden tot het instort, tot ik instort of vertrek. Want een andere huurder vindt u niet en dat weet u, daar zijn inmiddels wetten voor gemaakt.
Ook de wilde tuin moet verdwijnen. Voor mij en mijn vrienden is deze tuin in de zomer het paradijs op aarde, voor u helaas niets dan een doorn in het oog. Daar moet en zal een gemillimeterd gazonnetje komen waar geen paardebloem of madelief een kans krijgt. Een getrimde buxusbol waarschijnlijk, in de plaats van de lindeboom die in de herfst zijn blaren verliest en oh, wat geeft dat toch een vuiligheid zegt uw vrouw. De perelaar, de pruimelaar, de fluweelboom, de hibiscussen die ik heb geplant , de rozen, ze zullen allemaal verdwijnen omdat ze in een andere orde staan dan de uwe, ze staan de grasmachine in de weg.
Voor de rest ziet alles er hier nochtans precies hetzelfde uit als toen u het van uw kinderloze half-oom hebt geërfd. Van roste Basiel zoals men hem noemt. Wist u trouwens hoe legendarisch hij is? Ik geloof van niet. Wanneer iemand mij vraagt waar ik woon en ik zeg: in het huis van roste Basiel, dan klaren alle gezichten op. Dan gaan er oogjes blinken en raak ik het eerste half uur nog niet weg vanwege zijn fratsen die men perse moet vertellen. Met Pasen bijvoorbeeld verstopte hij geen chocolade eieren in de voortuin maar muntstukken voor de kinderen uit de straat. “Een ei is maar een ei, zei hij, een cent kan er twee worden”.
In die tijd lekte het dak nog niet, stonden er geen schimmels op de muren en waren de elektrische leidingen nog intact. Het regende niet binnen op de schrijftafel, er stond geen schrijftafel, de plaats vanwaar ik u schrijf was toen de slaapkamer waar zijn eerste vrouw, zijn grote liefde Jeanne veel te vroeg gestorven is. U heeft haar nooit gekend.
Ik weet dat het inbeelding is, maar Jeanne en Basiel moeten hier nog ergens rondhangen, in deze kamer, want ik voel mij hier nooit alleen. Ook in de keuken, de woonkamer, mijn slaapkamer, de tuin en de schuur voel ik me nooit alleen. Maar zet mij in een nieuwbouwwoning zelfs tussen dertig mensen en ik voel me alleen. De muren komen op me af, zoals men zegt. Het klinkt daar ook zo hol.
Over een paar maand loopt mijn huurcontract af en u heeft de huur dit jaar niet opgeslagen Ik voel nattigheid. En het is daarom dat ik u schrijf.
zondag 30 november 2008
Het diepe zwijgen
Iedere morgen stopt de witte bestelwagen bij de overburen. Iedere werkdag al vijf jaar lang, op zon-en feestdagen komt hij niet.
De chauffeur belt aan , opent de deur van de laadbak en duwt op een knopje dat de lift activeert, een metalen onderstel waarin een rolstoel past. En dan wordt Kamiel naar buiten gewield, ’s winters helemaal ingepakt als een poolreiziger, ’s zomers in een hemdje. Met stoel en al hijst het knopje hem de laadbak in.
De bestelwagen vertrekt naar het revalidatiecentrum, overbuurvrouw wuift nog eventjes na en ik zwaai eens vanachter mijn raam naar de overkant. Al vijf jaar lang wuift Kamiel terug met zijn linkerarm, de enige waar nog leven in zit.
Onze huizen staan pal tegenover mekaar en in de omtrek staan geen andere huizen, dat schept een band, ook al heb je mekaar verder niet veel te vertellen.
Op een dag was er een windstorm. Er was een wilgenboompje omgewaaid vlak voor mijn hek, ik kon de straat niet meer op want dat boompje was niet te tillen en blokkeerde het hek. En meteen stond Kamiel daar, ongevraagd, en bevrijdde mij met zijn draadloze boomzaag van het wilgenboompje.
Het begon te regenen en we schuilden in de schuur waar ik altijd een bakje bier heb staan.
Ik was hem zo dankbaar dat hij dat voor mij had gedaan, ik zei hem “Kamiel, zonder u had ik het vandaag niet gered en ’t ene plezier is ’t ander waard, hoe kan ik u bedanken?”.
“Ach, daar zijn goeie buren voor” zei hij en hij nam een slokje.
We keken samen solidair naar de regen. Het was de laatste keer dat ik hem hoorde spreken.
Een week later kwam er een klonter in zijn hersens, en een ambulance die hem voor een half jaar naar het ziekenhuis bracht.
Toen hij eindelijk terug naar huis mocht had ik met stoepkrijt “Welkom thuis Kamiel” op het asfalt geschreven, maar we weten niet of hij dat toen heeft gezien. Hij kan nog altijd niet lezen. Niet praten, niet lopen, niet staan. Er zit een sonde in zijn buik die alles in een plastic zakje brengt.
Staat er een zonnetje, dan wordt Kamiel bij de voordeur gezet vanwaar hij naar de wandelaars kan kijken en ook naar zijn tuin die zijn lust was en zijn leven. Soms slaan we dan een babbeltje.
“Ge ziet er goed uit vandaag”.
Kamiel zucht.
“We hebben weer chance met het weer hé”.
Kamiel glimlacht en knikt.
“’t Wordt een goed jaar voor de appels, en de kweepeer staat ook vol bloesems zo te zien”.
Kamiel glundert, likt zijn lippen en wrijft over zijn buik. Hij is dol op kweepeerconfituur.
Maar na de patatten, de spinazie, de bloemkool of prei raken we uitgepraat, dan stokt ons gesprek.
Dan komt het diepe zwijgen.
De chauffeur belt aan , opent de deur van de laadbak en duwt op een knopje dat de lift activeert, een metalen onderstel waarin een rolstoel past. En dan wordt Kamiel naar buiten gewield, ’s winters helemaal ingepakt als een poolreiziger, ’s zomers in een hemdje. Met stoel en al hijst het knopje hem de laadbak in.
De bestelwagen vertrekt naar het revalidatiecentrum, overbuurvrouw wuift nog eventjes na en ik zwaai eens vanachter mijn raam naar de overkant. Al vijf jaar lang wuift Kamiel terug met zijn linkerarm, de enige waar nog leven in zit.
Onze huizen staan pal tegenover mekaar en in de omtrek staan geen andere huizen, dat schept een band, ook al heb je mekaar verder niet veel te vertellen.
Op een dag was er een windstorm. Er was een wilgenboompje omgewaaid vlak voor mijn hek, ik kon de straat niet meer op want dat boompje was niet te tillen en blokkeerde het hek. En meteen stond Kamiel daar, ongevraagd, en bevrijdde mij met zijn draadloze boomzaag van het wilgenboompje.
Het begon te regenen en we schuilden in de schuur waar ik altijd een bakje bier heb staan.
Ik was hem zo dankbaar dat hij dat voor mij had gedaan, ik zei hem “Kamiel, zonder u had ik het vandaag niet gered en ’t ene plezier is ’t ander waard, hoe kan ik u bedanken?”.
“Ach, daar zijn goeie buren voor” zei hij en hij nam een slokje.
We keken samen solidair naar de regen. Het was de laatste keer dat ik hem hoorde spreken.
Een week later kwam er een klonter in zijn hersens, en een ambulance die hem voor een half jaar naar het ziekenhuis bracht.
Toen hij eindelijk terug naar huis mocht had ik met stoepkrijt “Welkom thuis Kamiel” op het asfalt geschreven, maar we weten niet of hij dat toen heeft gezien. Hij kan nog altijd niet lezen. Niet praten, niet lopen, niet staan. Er zit een sonde in zijn buik die alles in een plastic zakje brengt.
Staat er een zonnetje, dan wordt Kamiel bij de voordeur gezet vanwaar hij naar de wandelaars kan kijken en ook naar zijn tuin die zijn lust was en zijn leven. Soms slaan we dan een babbeltje.
“Ge ziet er goed uit vandaag”.
Kamiel zucht.
“We hebben weer chance met het weer hé”.
Kamiel glimlacht en knikt.
“’t Wordt een goed jaar voor de appels, en de kweepeer staat ook vol bloesems zo te zien”.
Kamiel glundert, likt zijn lippen en wrijft over zijn buik. Hij is dol op kweepeerconfituur.
Maar na de patatten, de spinazie, de bloemkool of prei raken we uitgepraat, dan stokt ons gesprek.
Dan komt het diepe zwijgen.
maandag 24 november 2008
Sneeuwpret
Heerlijke dag vandaag. Nu is hij alweer om, en juist daarom voor herdenking vatbaar.
Overal sneeuw, pakken sneeuw. Zeker vijftien centimeter, tot aan de knietjes van de poezen, zo hoog dus. Nu is de sneeuw weer weg, maar deze middag geen kat op straat, alles wit en stil op een paar slalommende BMW’s en Mercedessen na. Want die zitten met achtertractie, dat glijdt beter.
Vader belt op. Prachtige band hebben pa en ik, wij communiceren met weetjes over stamcelonderzoek, gentechnologie en vooral met moppen. Het doet er niet toe of ze sterk zijn of flauw, de pointe mag slabakken, het gaat om het vertellen.
“Kom straks liever niet op de koffie kind, veel te glad op de baan. Mama zet je stukje taart wel opzij en ik vertel je nu een mop want morgen ben ik ze misschien vergeten”. De mop ging zo:
Een paard wordt ziek. De veearts zegt tegen de boer: “Jef zegt hij, ik vrees dat het hier om het beruchte paardenvirus gaat. Maar ik weet hoeveel dat beest voor u betekent, daarom geef ik het nog een kans. Een paar spuitjes, en staat het overmorgen nog niet te poot dan moet ik het afmaken”.
Het varken van de boer heeft alles gehoord en verwittigt het paard: “Gauw beter worden makker, anders is ’t overmorgen met u gedaan!”.
Twee dagen later ligt het paard nog steeds te kermen en de veearts is al aan ’t parkeren.
“Komààn ouwe jongen, encourrageert het varken, probeer dan tenminste voor een half uurtje recht te staan”.
Overal sneeuw, pakken sneeuw. Zeker vijftien centimeter, tot aan de knietjes van de poezen, zo hoog dus. Nu is de sneeuw weer weg, maar deze middag geen kat op straat, alles wit en stil op een paar slalommende BMW’s en Mercedessen na. Want die zitten met achtertractie, dat glijdt beter.
Vader belt op. Prachtige band hebben pa en ik, wij communiceren met weetjes over stamcelonderzoek, gentechnologie en vooral met moppen. Het doet er niet toe of ze sterk zijn of flauw, de pointe mag slabakken, het gaat om het vertellen.
“Kom straks liever niet op de koffie kind, veel te glad op de baan. Mama zet je stukje taart wel opzij en ik vertel je nu een mop want morgen ben ik ze misschien vergeten”. De mop ging zo:
Een paard wordt ziek. De veearts zegt tegen de boer: “Jef zegt hij, ik vrees dat het hier om het beruchte paardenvirus gaat. Maar ik weet hoeveel dat beest voor u betekent, daarom geef ik het nog een kans. Een paar spuitjes, en staat het overmorgen nog niet te poot dan moet ik het afmaken”.
Het varken van de boer heeft alles gehoord en verwittigt het paard: “Gauw beter worden makker, anders is ’t overmorgen met u gedaan!”.
Twee dagen later ligt het paard nog steeds te kermen en de veearts is al aan ’t parkeren.
“Komààn ouwe jongen, encourrageert het varken, probeer dan tenminste voor een half uurtje recht te staan”.
Paard levert een onmenselijke krachtinspanning en veert recht. De boer is buiten zijn zinnen van geluk en roept: ‘Marie, ’t paard is genezen, dat moeten we vieren! Zet het spit klaar, slijp de messen, ik haal het varken!”.
Ik kijk door het raam naar de sneeuw en krijg kinderlijke gedachten. Ach, die sneeuwmannen, de sneeuwballen uit mijn jeugd, waar zijn zij gebleven? Als ik nu eens die slee uit de schuur haalde en…Ineens wordt er aan de voordeur geklopt, hard geklopt, gebonkt. Te vroeg voor Sinterklaas, te laat voor Sint Maarten, maar een even gekke kwibus klapwiekt in mijn deurgat.
“Madame, ik ben in de gracht geslipt, hier voorbij het bos. Men zegt dat u een Jeepke hebt, als u zo goed zou willen zijn…”.
En zo goed ben ik dan weer om de geslipte medemens uit de gracht te slepen, want wat gij uw naaste aandoet, doet hij aan u.
Ik kijk door het raam naar de sneeuw en krijg kinderlijke gedachten. Ach, die sneeuwmannen, de sneeuwballen uit mijn jeugd, waar zijn zij gebleven? Als ik nu eens die slee uit de schuur haalde en…Ineens wordt er aan de voordeur geklopt, hard geklopt, gebonkt. Te vroeg voor Sinterklaas, te laat voor Sint Maarten, maar een even gekke kwibus klapwiekt in mijn deurgat.
“Madame, ik ben in de gracht geslipt, hier voorbij het bos. Men zegt dat u een Jeepke hebt, als u zo goed zou willen zijn…”.
En zo goed ben ik dan weer om de geslipte medemens uit de gracht te slepen, want wat gij uw naaste aandoet, doet hij aan u.
Ik haal de Spoetnik uit de schuur, mijn groene Lada Niva, uit Siberisch staal gesmeed, toonbeeld van paardenkracht en voorwieltractie.
We rijden probleemloos tot over het bos, ik sleep die auto uit de gracht en al slepend knalt een slippende 4x4 tegen mijn voorkant aan. De 4x4 zit met een stevige deuk, van de Spoetnik zijn enkel de mistlampen stuk.
Iedere dag heeft zijn eigen kleine moraal, verscholen achter onopvallende dingen, maar de moraal van deze winterse dag is zo klaar als een klontje.
We rijden probleemloos tot over het bos, ik sleep die auto uit de gracht en al slepend knalt een slippende 4x4 tegen mijn voorkant aan. De 4x4 zit met een stevige deuk, van de Spoetnik zijn enkel de mistlampen stuk.
Iedere dag heeft zijn eigen kleine moraal, verscholen achter onopvallende dingen, maar de moraal van deze winterse dag is zo klaar als een klontje.
zaterdag 15 november 2008
Saps at sea
Zoals iedere dinsdagavond liep ik langs de kade om zaken te doen. Nu doe ik zo’n gevaarlijke dingen niet meer, maar goed, dinsdag was een goeie dag voor zaken want dan meerde de Pravda aan. Niet de krant, de olietanker uit Odessa met zijn achtersteven vol matrozen die popelden naar mijn business.
Knappe jongens waren het, donderse bliksems met spieren en stoppelbaarden, maar helaas, met waardeloze roebels, weinig dollars dus, en een zweetlucht die een revolutie kon doen uitbreken. Daarom verwees ik hen door naar mijn business associates die in mijn kielzog op verdere mijlpalen gezeten snakten naar werk, en naar de Vodka van de matrozen.
Persoonlijk handelde ik liever met de kapitein van de Pravda, Igor Stroganov, en zijn stuurmannen, Sacha Smirnov en Petja Gorbatchov, geen familie van. Zij hielden er, laat ons zeggen, een andere levenshygiëne op na, een gesofistikeerdere manier van zaken doen. Zij dronken Krimchampagne en waren ook muzikaal begaafd, er was altijd iemand van hun drieën die op de balalaïka speelde. Zo heb ik menig droevig Russisch lied leren kennen, zoals dat over de heuvels van Mantsjoerije bijvoorbeeld. Dat lied is zo droevig dat je meteen naar de Vodka grijpt, reclamemensen hadden daar hun slag kunnen mee slaan maar toen mocht dat nog niet, van de partij. En daar had de partij ongelijk. Want nu mag het wél en ziet hoe voortvarend het met Moskou gaat. Maar ik dwaal af.
Die dinsdagavond dus, daar langs de kade, plots een plof in het water en dan niets. Stilte, silencio, ticho vokrug.
In de kapiteinskajuit doe ik weer gouden zaken. Sacha en Petja spelen een balalaïkaduet.
De kapitein knelt ineens mijn handen in de zijne, kijkt diep in mijn ogen en zegt: “Masja, ik moet je iets vragen, iets uit het diepst van mijn hart, iets...iets van levensbelang”.
“Hoho, denk ik, daar heb je het, de communist wil naar het Westen vluchten”.
“Masja, zegt hij en hij knelt mijn handen nog harder, mijn vingertoppen zien wit. “Masjenka moja, we doen nu al zolang zaken samen die ik met niemand anders kan doen, toch niet zoals wij het doen. Ik ben gesteld op je geraakt, daarom valt het mij moeilijk jou dit te vragen. Je weet niet hoé moeilijk. Maar je moet me eerlijk antwoorden ”.
“Vooruit met de geit man, denk ik, stel ze dan je vraag. Maar het antwoord is neen, je komt niet bij mij onderduiken, en neen, geen schijnhuwelijk met jou”.
“Heb je vanavond iets gehoord of gezien Masja?”.
“Ik heb vanavond veel gehoord en gezien, Igor Stepanovitsj Stroganov”.
“Natuurlijk, maar ik bedoel, iets op de kade?”.
“Op de kade heb ik iets in het water horen vallen maar ik kon niet zien wat het was”.
“Dus Masja, je hebt iets horen vallen maar je kon niet zien wat het was?”.
“Neen, het was te donker Igor”.
Knappe jongens waren het, donderse bliksems met spieren en stoppelbaarden, maar helaas, met waardeloze roebels, weinig dollars dus, en een zweetlucht die een revolutie kon doen uitbreken. Daarom verwees ik hen door naar mijn business associates die in mijn kielzog op verdere mijlpalen gezeten snakten naar werk, en naar de Vodka van de matrozen.
Persoonlijk handelde ik liever met de kapitein van de Pravda, Igor Stroganov, en zijn stuurmannen, Sacha Smirnov en Petja Gorbatchov, geen familie van. Zij hielden er, laat ons zeggen, een andere levenshygiëne op na, een gesofistikeerdere manier van zaken doen. Zij dronken Krimchampagne en waren ook muzikaal begaafd, er was altijd iemand van hun drieën die op de balalaïka speelde. Zo heb ik menig droevig Russisch lied leren kennen, zoals dat over de heuvels van Mantsjoerije bijvoorbeeld. Dat lied is zo droevig dat je meteen naar de Vodka grijpt, reclamemensen hadden daar hun slag kunnen mee slaan maar toen mocht dat nog niet, van de partij. En daar had de partij ongelijk. Want nu mag het wél en ziet hoe voortvarend het met Moskou gaat. Maar ik dwaal af.
Die dinsdagavond dus, daar langs de kade, plots een plof in het water en dan niets. Stilte, silencio, ticho vokrug.
In de kapiteinskajuit doe ik weer gouden zaken. Sacha en Petja spelen een balalaïkaduet.
De kapitein knelt ineens mijn handen in de zijne, kijkt diep in mijn ogen en zegt: “Masja, ik moet je iets vragen, iets uit het diepst van mijn hart, iets...iets van levensbelang”.
“Hoho, denk ik, daar heb je het, de communist wil naar het Westen vluchten”.
“Masja, zegt hij en hij knelt mijn handen nog harder, mijn vingertoppen zien wit. “Masjenka moja, we doen nu al zolang zaken samen die ik met niemand anders kan doen, toch niet zoals wij het doen. Ik ben gesteld op je geraakt, daarom valt het mij moeilijk jou dit te vragen. Je weet niet hoé moeilijk. Maar je moet me eerlijk antwoorden ”.
“Vooruit met de geit man, denk ik, stel ze dan je vraag. Maar het antwoord is neen, je komt niet bij mij onderduiken, en neen, geen schijnhuwelijk met jou”.
“Heb je vanavond iets gehoord of gezien Masja?”.
“Ik heb vanavond veel gehoord en gezien, Igor Stepanovitsj Stroganov”.
“Natuurlijk, maar ik bedoel, iets op de kade?”.
“Op de kade heb ik iets in het water horen vallen maar ik kon niet zien wat het was”.
“Dus Masja, je hebt iets horen vallen maar je kon niet zien wat het was?”.
“Neen, het was te donker Igor”.
“Het was het anker, Masja! Heb je mij goed verstaan! Het anker!”.
`
dinsdag 11 november 2008
balleke gehakt
Ik ben een vegetariër in ‘t diepst van mijn gedachten , er zit in ’t binnenste van mijn ziel een boon, voor dieren allerhande. Gewervelde en ongewervelde, zogende en leggende, vegetarische en bloeddorstige, springende dieren, kruipende dieren, blinde en ziende, zwemmers en vliegers: altijd iemands kind. Nog liever kruip ik door het oog van een naald dan op een vijandige kameel te slaan, tenzij het een mug is, of een steekvlieg.
Op rubberen teenslippers en in synthetische schoenen schuifel ik door het leven in hinkstapsprong, om op niemands broeder te trappen, om geen poot aan een moeder te krenken. Ik streel spinnen, ik kus kikkers, help padden oversteken, spalk vleugels, bevrijd vossen uit hun klem, wuif naar schaap en koe vanop de fiets. Ik rijd niet te paard, ik maai geen gras, ik praat met poezen. Ik strem mijn melk met kaasjeskruid, dik mijn pap met agar-agar, bak de friet in plantenvet, rood mijn lippen met bietensap.
Maar passeer ik in de vleesafdeling langs het gemengd gehakt dan voltrekt zich een metamorfose, dan word ik een dorstende tijger, een weerwolf met een winkelkar. Er is geen ontkomen aan want het gehakt paalt pal aan de zuivel, die moet ook worden gekoeld.
’t Is allemaal de schuld van Aimee, de vriendelijke slager uit mijn kindertijd, de tijd waarin verderfelijke verslavingen worden gezaaid.
Aimee droeg een schort waarop een lachend varkentje geborduurd stond en in zijn slagerij hingen tevreden familieportretten. Een gelukkige koe met kalf, een stier met een medaille rond zijn nek, een hen met haar kuikens, een zeug met zuigende biggetjes, en een vredig portret van zijn vrouw met hun tweeling die bij mij in de kleuterklas zat.
Er lagen geen messen, Aimee sneed het ribstuk achter de coulissen en legde het op de weegschaal met een grap. Enkel voor salami en hesp gebruikte hij ter plaatse de snijmachine, maar salami en hesp, dat waren geen dieren meer. Dat waren smakelijke entiteiten, net als gehakt.
Aimee rekende af met de glimlach, moeder betaalde, en terwijl het wisselgeld in haar portemonnee verdween, graaide hij met zijn rozige vingers in de schaal met gehakt en draaide er een balletje van.
“Hier, nog een balleke voor de kleine”, zei hij iedere keer.
Dat was het moment waar ik op wachtte. Mijn moment. De seconde waarin een vrolijke volwassene het woord tot mij richtte en ik een smakelijk balleke kreeg.
Ondanks de ballen werd ik steeds magerder. Ik vrat als een varken maar werd vel over been. Een raadsel voor de medische wetenschap. Tot mijn grootvader zei: “Dat kind heeft een lintworm”.
Toen moest ik een bitter brouwsel drinken en iedereen hield mijn stoelgang in de gaten. Als kind vind je dat niet erg. Het was hem allemaal te doen om de kop van de lintworm, want wormen groeien van zichzelf weer aan zolang je de kop niet mee hebt. Dat heeft de geschiedenis bewezen.Tot drie maal toe reden we van Dendermonde naar Herdersem met een bokaal vol lintworm , want grootvader woonde in Herdersem en hij was een kenner in koppen.
Om een lang verhaal kort te trekken: bioburgers, tofuballen, seitanbroodjes en falafel, ja!
Op rubberen teenslippers en in synthetische schoenen schuifel ik door het leven in hinkstapsprong, om op niemands broeder te trappen, om geen poot aan een moeder te krenken. Ik streel spinnen, ik kus kikkers, help padden oversteken, spalk vleugels, bevrijd vossen uit hun klem, wuif naar schaap en koe vanop de fiets. Ik rijd niet te paard, ik maai geen gras, ik praat met poezen. Ik strem mijn melk met kaasjeskruid, dik mijn pap met agar-agar, bak de friet in plantenvet, rood mijn lippen met bietensap.
Maar passeer ik in de vleesafdeling langs het gemengd gehakt dan voltrekt zich een metamorfose, dan word ik een dorstende tijger, een weerwolf met een winkelkar. Er is geen ontkomen aan want het gehakt paalt pal aan de zuivel, die moet ook worden gekoeld.
’t Is allemaal de schuld van Aimee, de vriendelijke slager uit mijn kindertijd, de tijd waarin verderfelijke verslavingen worden gezaaid.
Aimee droeg een schort waarop een lachend varkentje geborduurd stond en in zijn slagerij hingen tevreden familieportretten. Een gelukkige koe met kalf, een stier met een medaille rond zijn nek, een hen met haar kuikens, een zeug met zuigende biggetjes, en een vredig portret van zijn vrouw met hun tweeling die bij mij in de kleuterklas zat.
Er lagen geen messen, Aimee sneed het ribstuk achter de coulissen en legde het op de weegschaal met een grap. Enkel voor salami en hesp gebruikte hij ter plaatse de snijmachine, maar salami en hesp, dat waren geen dieren meer. Dat waren smakelijke entiteiten, net als gehakt.
Aimee rekende af met de glimlach, moeder betaalde, en terwijl het wisselgeld in haar portemonnee verdween, graaide hij met zijn rozige vingers in de schaal met gehakt en draaide er een balletje van.
“Hier, nog een balleke voor de kleine”, zei hij iedere keer.
Dat was het moment waar ik op wachtte. Mijn moment. De seconde waarin een vrolijke volwassene het woord tot mij richtte en ik een smakelijk balleke kreeg.
Ondanks de ballen werd ik steeds magerder. Ik vrat als een varken maar werd vel over been. Een raadsel voor de medische wetenschap. Tot mijn grootvader zei: “Dat kind heeft een lintworm”.
Toen moest ik een bitter brouwsel drinken en iedereen hield mijn stoelgang in de gaten. Als kind vind je dat niet erg. Het was hem allemaal te doen om de kop van de lintworm, want wormen groeien van zichzelf weer aan zolang je de kop niet mee hebt. Dat heeft de geschiedenis bewezen.Tot drie maal toe reden we van Dendermonde naar Herdersem met een bokaal vol lintworm , want grootvader woonde in Herdersem en hij was een kenner in koppen.
Om een lang verhaal kort te trekken: bioburgers, tofuballen, seitanbroodjes en falafel, ja!
Maar als ik langs het gehakt passeer dan begint mijn hersenstam vreemde sappen te produceren. Dan kom ik thuis, draai een balletje, en denk: ook een lintworm moet leven.
En tot slot: geloof niet alles wat u op het internet over lintwormen leest. Vertrouw op uw eigen werkelijkheid.
En tot slot: geloof niet alles wat u op het internet over lintwormen leest. Vertrouw op uw eigen werkelijkheid.
maandag 27 oktober 2008
Moet dat nu echt schat?
“Moet dat nu echt schat?”, vroeg Rebecca die middag.
Ja Bekkie het moet, zuchtte Jean-Jacques terwijl hij eventjes de p.c verliet om zijn tweede pakje Gauloise Blonde en zijn vierde Jack Daniels aan te snijden.
En daarbij Bekkie, je weet dat ik dit niet alleen voor mezelf doe. Ik doe het voor ons, voor ons geheim landgoed in de Provence en voor…
“Ik zou liever een appartement in Tenerife hebben”
Goed, voor ons appartement in Tenerife dan, en voor mijn lezers. Die moet je warm houden, anders zijn ze je zo vergeten. Kijk maar naar Reve, gestopt met schrijven en meteen vergeten.
“Reve is dood”
Ja, dat weet ik Bekkie, Reve is dood. En Carmiggelt is ook dood, Wolkers, Claus, allemaal dood, gestopt met schrijven dus. Stoppen of doodgaan, dat is hetzelfde. Want wie leest hen nu nog? Alleen Tom Lanoye leest nog een beetje Claus, maar dat gaat vanzelf wel over.
“Elsschot wordt nog gelezen”
En waarom denk jij dat Bekkie?
“Omdat er een bon in het Laatste Nieuws staat. Elke week een boek voor maar vier euro. Deze week is het Kaas”
Mensen kopen Kaas voor op de plank Bekkie, dat stààt mooi, zo’n Elsschot op de plank. Ze zien de film en kopen dan pas het boek, voor de plank. Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen?
“Maar dat roken en dat drinken, moet dat nu echt zoveel schat? Kan het niet wat minder?”
Neen Bekkie het kan niet minder. Een goed schrijver drinkt, en waar een glas is, is rook en vieze versa.
“Als je zo doorgaat ga je dood, dan word je niet meer gelezen”
Ik heb nog al de tijd. Ik zit nog maar net over de helft van Carmiggelt en Bukovski, die jongens hebben het lang getrokken hoor, de ene op de Jenever, de ander op de Vodka. Ik drink tenminste gezond spul.
“Brusselmans is gestopt met drinken”
Brusselmans, Brusselmans, effe serieus blijven Bekkie. We hebben het hier over literatuur.
“En Dimitri Verhulst dan? Die is zelfs gestopt met roken”
Dimitri heeft een slechte jeugd gehad Bekkie, een alcoholieke vader. Dat helpt, dat geeft een voorsprong bij het schrijven. Ik niet. Dronk mijn pa maar minder Spa, denk ik soms. Dan was mijn roman allang af en verfilmd. Dan zaten we nu in de Provence Bekkie.
“In Tenerife”
Of in Tenerife.
“En Dostojevski dan? Die kwam van een goeie familie en heeft tóch veel geschreven”
Dostojevski mócht niet drinken met zijn epilepsie.
“Met wie?”
Ach Bekkie toch Bekkie toch. Hoe vaak heb ik je ook al niet uitgelegd dat véél schrijven niet noodzakelijk goéd schrijven is. Dostojevski is goed vertààld, maar je moest eens weten hoe slecht die man punctueerde, hoe krom zijn zinnen soms stonden. En dan die bladzijden lange beschrijvingen die iedereen gewoon overslaat. Wat interesseert het ons verdomme welk hoofddoekje Poelcheria Alexandrovna die dag droeg, of hoe dik de wenkbrauwen van Raskolnikov wel waren. Dat was het cliché van de dag: een moordenaar, al bedoelt hij het nog zo goed, moést dikke wenkbrauwen hebben.
“Stalin had dikke wenkbrauwen. En Bush, die heeft ze nog altijd”
Ja, en Groucho Marx ook! Wat ik wil zeggen Bekkie is dat ik De Karamazovs vier keer minder dik kan schrijven. Een democratische pocket met een lekker lettertype.
“Ze zeggen dat Bush zijn wenkbrauwen epileert”
Weet je hoe eenzaam ik mij soms voel Bekkie als je dat soort vrouwendingen zegt.
“En Mulish dan?”
Epileert die zijn wenkbrauwen ook misschien! Tiens, dat zou mij niks verwonderen.
“Neen, Mulish, die rookt toch ook! En je zegt altijd dat die schrijft met een stok in zijn gat”
Mulish rookt niet. De pijp is er alleen maar voor de camera.
“Ik kwam eigenlijk vragen wat je wil eten”
Doe maar iets vegetarisch. Een spinazieburger met frietjes. Geen mayonaise, ketchup.
“Wat dacht je van iets gezonds? Een stukje zalm met een slaatje”
Met frietjes?
“Geen frietjes. Gekookte patatjes”
Moet dat nu echt schat?
Ja Bekkie het moet, zuchtte Jean-Jacques terwijl hij eventjes de p.c verliet om zijn tweede pakje Gauloise Blonde en zijn vierde Jack Daniels aan te snijden.
En daarbij Bekkie, je weet dat ik dit niet alleen voor mezelf doe. Ik doe het voor ons, voor ons geheim landgoed in de Provence en voor…
“Ik zou liever een appartement in Tenerife hebben”
Goed, voor ons appartement in Tenerife dan, en voor mijn lezers. Die moet je warm houden, anders zijn ze je zo vergeten. Kijk maar naar Reve, gestopt met schrijven en meteen vergeten.
“Reve is dood”
Ja, dat weet ik Bekkie, Reve is dood. En Carmiggelt is ook dood, Wolkers, Claus, allemaal dood, gestopt met schrijven dus. Stoppen of doodgaan, dat is hetzelfde. Want wie leest hen nu nog? Alleen Tom Lanoye leest nog een beetje Claus, maar dat gaat vanzelf wel over.
“Elsschot wordt nog gelezen”
En waarom denk jij dat Bekkie?
“Omdat er een bon in het Laatste Nieuws staat. Elke week een boek voor maar vier euro. Deze week is het Kaas”
Mensen kopen Kaas voor op de plank Bekkie, dat stààt mooi, zo’n Elsschot op de plank. Ze zien de film en kopen dan pas het boek, voor de plank. Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen?
“Maar dat roken en dat drinken, moet dat nu echt zoveel schat? Kan het niet wat minder?”
Neen Bekkie het kan niet minder. Een goed schrijver drinkt, en waar een glas is, is rook en vieze versa.
“Als je zo doorgaat ga je dood, dan word je niet meer gelezen”
Ik heb nog al de tijd. Ik zit nog maar net over de helft van Carmiggelt en Bukovski, die jongens hebben het lang getrokken hoor, de ene op de Jenever, de ander op de Vodka. Ik drink tenminste gezond spul.
“Brusselmans is gestopt met drinken”
Brusselmans, Brusselmans, effe serieus blijven Bekkie. We hebben het hier over literatuur.
“En Dimitri Verhulst dan? Die is zelfs gestopt met roken”
Dimitri heeft een slechte jeugd gehad Bekkie, een alcoholieke vader. Dat helpt, dat geeft een voorsprong bij het schrijven. Ik niet. Dronk mijn pa maar minder Spa, denk ik soms. Dan was mijn roman allang af en verfilmd. Dan zaten we nu in de Provence Bekkie.
“In Tenerife”
Of in Tenerife.
“En Dostojevski dan? Die kwam van een goeie familie en heeft tóch veel geschreven”
Dostojevski mócht niet drinken met zijn epilepsie.
“Met wie?”
Ach Bekkie toch Bekkie toch. Hoe vaak heb ik je ook al niet uitgelegd dat véél schrijven niet noodzakelijk goéd schrijven is. Dostojevski is goed vertààld, maar je moest eens weten hoe slecht die man punctueerde, hoe krom zijn zinnen soms stonden. En dan die bladzijden lange beschrijvingen die iedereen gewoon overslaat. Wat interesseert het ons verdomme welk hoofddoekje Poelcheria Alexandrovna die dag droeg, of hoe dik de wenkbrauwen van Raskolnikov wel waren. Dat was het cliché van de dag: een moordenaar, al bedoelt hij het nog zo goed, moést dikke wenkbrauwen hebben.
“Stalin had dikke wenkbrauwen. En Bush, die heeft ze nog altijd”
Ja, en Groucho Marx ook! Wat ik wil zeggen Bekkie is dat ik De Karamazovs vier keer minder dik kan schrijven. Een democratische pocket met een lekker lettertype.
“Ze zeggen dat Bush zijn wenkbrauwen epileert”
Weet je hoe eenzaam ik mij soms voel Bekkie als je dat soort vrouwendingen zegt.
“En Mulish dan?”
Epileert die zijn wenkbrauwen ook misschien! Tiens, dat zou mij niks verwonderen.
“Neen, Mulish, die rookt toch ook! En je zegt altijd dat die schrijft met een stok in zijn gat”
Mulish rookt niet. De pijp is er alleen maar voor de camera.
“Ik kwam eigenlijk vragen wat je wil eten”
Doe maar iets vegetarisch. Een spinazieburger met frietjes. Geen mayonaise, ketchup.
“Wat dacht je van iets gezonds? Een stukje zalm met een slaatje”
Met frietjes?
“Geen frietjes. Gekookte patatjes”
Moet dat nu echt schat?
zaterdag 25 oktober 2008
Geruststelling
Ze zagen de zon zakken in zee, klopten het zand uit hun strandmatjes, rolden ze op en deden er een elastiekje om.
Na dag komt nacht en dat moet je aanvaarden of je dat nu wilt of niet. Je hebt maar weinig te zeggen. ’s Avonds word je een opgerold strandmatje, met een elastiekje om.
“Hebben we nog cryptogrammen voor vanavond?”, vroeg hij.
Zij wist het niet zeker, zij herinnerde zich alleen dat ze bij het cryptogram van gisteren in slaap gesukkeld waren bij ‘Kalm iets beweren’. Een vraag van vier sterren en dertien letters waar nog over te denken viel.
“Welke dag zijn we vandaag?”, vroeg zij.
Hij wist het niet zeker, ook niet welke dag het gisteren was geweest. Hij vroeg het aan een aanpalende strandligger die antwoordde: “Sonntag”.
“Dan is er straks een druivenfeest in Capoliveri, zei zij, in ieder geval iets met een orkestje en veel wijn en kraampjes met hapjes”.
Ze reden de berg op in het donker, het was moeilijk om een parkeerplaats te vinden, maar ze vonden er één, een hele mooie bij een ravijn met zicht over de Tyrreense zee vanwaar je tegelijk de vuurtoren van Pianosa en die van Monte Cristo kon zien flikkeren. Er was ook een krekel die zo hard tsjirpte dat het leek of hij zenuwziek was, maar hij was het niet. Het was gewoon een krekel.
Bij het wijnkraam stonden zoveel toeristen met poeha te proeven dat het er niet prettig toeven was. Gezette Fransen, Duitsers, Zwitsers vooral, met tongvallen en denkbeeldige Nordic-walkingsticks, kortom, mensen die tijd hebben om hun neus in een glas te steken voor ze ervan drinken.
“Kom, we zijn hier weg, zei hij, we gaan dat cryptogram oplossen”, maar zij wou nog eventjes door de straatjes dwalen want dat konden ze thuis niet doen, door smalle straatjes dwalen op dit uur. Omdat het er nu al te koud was en er geen smalle straatjes zijn.
“Bij ons trappen er tenminste geen Zwitsers op je tenen ”, morde hij nog.
In de smalle straatjes zagen zij geen Zwitsers meer en de muziek zwol alsmaar aan. Walsjes uit een accordeon, dronken Italianen die een vrolijk liedje zongen. Jong en oud dat samen danste, een meisje dat zich op een tafel hijste en om stilte schreeuwde waarop iedereen scandeerde: “Giovà-nà, Giovà-nà, Giovà-nà!”
Giovanna was jong en mooi maar had zich in een oud wijf verkleed. Ze riep, in het Italiaans,
“Vrienden van Capoliveri, ik moet jullie iets zeggen!”
“Ik ook!”, riep een vrolijke Hans met twee druiventrossen om zijn hals.
“Giovà-ni, Giovà-ni, Giovà-ni!” riepen ze nu.
“Geef ons eerst Giovanna!” kraaide een doorrookte schraapstem in een veel te klein trouwkostuum. Fellini was niet veraf.
“Mau-ró, Mau-ró, Mau-ró!”.
“Ze zeggen dat wij Elbanezen gek zijn, schreeuwde Giovanna weer, welnu, laten we dat vannacht bewijzen!”.
Mauro sprong de tafel op en zette een lied in, de anderen vielen tweestemmig in. Na het eerste couplet sprong nog iemand de tafel op met een nieuw lied en zo ging het door, tot de tafel het begeven zou.
Ze konden zich in het gewoel geen glaasje of plaatsje veroveren, ze bleven aan de zijkant kijken. Het was vooral de tweestemmigheid die haar kippenvel gaf. Zij voelde zich als de vissen die zij in zee had zien zwemmen, veilig in hun synchrone scholen, zonder elkaar te raken. Sprakeloos. Stil.
”Ben je gelukkig?”, vroeg hij.
“Ja, ik ben gelukkig”, lachte zij. Zij wist hoezeer zijn geluk van het hare afhing.
De krekel tsjirpte nog bij de parkeerplaats en terwijl ze zwijgend de berg afreden riep zij ineens:
“Geruststellen!”.
Dertien letters. Kalm iets beweren. Geruststellen.
.............
.
.
Na dag komt nacht en dat moet je aanvaarden of je dat nu wilt of niet. Je hebt maar weinig te zeggen. ’s Avonds word je een opgerold strandmatje, met een elastiekje om.
“Hebben we nog cryptogrammen voor vanavond?”, vroeg hij.
Zij wist het niet zeker, zij herinnerde zich alleen dat ze bij het cryptogram van gisteren in slaap gesukkeld waren bij ‘Kalm iets beweren’. Een vraag van vier sterren en dertien letters waar nog over te denken viel.
“Welke dag zijn we vandaag?”, vroeg zij.
Hij wist het niet zeker, ook niet welke dag het gisteren was geweest. Hij vroeg het aan een aanpalende strandligger die antwoordde: “Sonntag”.
“Dan is er straks een druivenfeest in Capoliveri, zei zij, in ieder geval iets met een orkestje en veel wijn en kraampjes met hapjes”.
Ze reden de berg op in het donker, het was moeilijk om een parkeerplaats te vinden, maar ze vonden er één, een hele mooie bij een ravijn met zicht over de Tyrreense zee vanwaar je tegelijk de vuurtoren van Pianosa en die van Monte Cristo kon zien flikkeren. Er was ook een krekel die zo hard tsjirpte dat het leek of hij zenuwziek was, maar hij was het niet. Het was gewoon een krekel.
Bij het wijnkraam stonden zoveel toeristen met poeha te proeven dat het er niet prettig toeven was. Gezette Fransen, Duitsers, Zwitsers vooral, met tongvallen en denkbeeldige Nordic-walkingsticks, kortom, mensen die tijd hebben om hun neus in een glas te steken voor ze ervan drinken.
“Kom, we zijn hier weg, zei hij, we gaan dat cryptogram oplossen”, maar zij wou nog eventjes door de straatjes dwalen want dat konden ze thuis niet doen, door smalle straatjes dwalen op dit uur. Omdat het er nu al te koud was en er geen smalle straatjes zijn.
“Bij ons trappen er tenminste geen Zwitsers op je tenen ”, morde hij nog.
In de smalle straatjes zagen zij geen Zwitsers meer en de muziek zwol alsmaar aan. Walsjes uit een accordeon, dronken Italianen die een vrolijk liedje zongen. Jong en oud dat samen danste, een meisje dat zich op een tafel hijste en om stilte schreeuwde waarop iedereen scandeerde: “Giovà-nà, Giovà-nà, Giovà-nà!”
Giovanna was jong en mooi maar had zich in een oud wijf verkleed. Ze riep, in het Italiaans,
“Vrienden van Capoliveri, ik moet jullie iets zeggen!”
“Ik ook!”, riep een vrolijke Hans met twee druiventrossen om zijn hals.
“Giovà-ni, Giovà-ni, Giovà-ni!” riepen ze nu.
“Geef ons eerst Giovanna!” kraaide een doorrookte schraapstem in een veel te klein trouwkostuum. Fellini was niet veraf.
“Mau-ró, Mau-ró, Mau-ró!”.
“Ze zeggen dat wij Elbanezen gek zijn, schreeuwde Giovanna weer, welnu, laten we dat vannacht bewijzen!”.
Mauro sprong de tafel op en zette een lied in, de anderen vielen tweestemmig in. Na het eerste couplet sprong nog iemand de tafel op met een nieuw lied en zo ging het door, tot de tafel het begeven zou.
Ze konden zich in het gewoel geen glaasje of plaatsje veroveren, ze bleven aan de zijkant kijken. Het was vooral de tweestemmigheid die haar kippenvel gaf. Zij voelde zich als de vissen die zij in zee had zien zwemmen, veilig in hun synchrone scholen, zonder elkaar te raken. Sprakeloos. Stil.
”Ben je gelukkig?”, vroeg hij.
“Ja, ik ben gelukkig”, lachte zij. Zij wist hoezeer zijn geluk van het hare afhing.
De krekel tsjirpte nog bij de parkeerplaats en terwijl ze zwijgend de berg afreden riep zij ineens:
“Geruststellen!”.
Dertien letters. Kalm iets beweren. Geruststellen.
.............
.
.
dinsdag 16 september 2008
Stukske broodpodding
Liefste Betty,
Over de Vlaamse broodpodding blijken de geruchten op het internet waar. Heb er twee naslagwerken over geraadpleegd, met name het klassieke standaardwerk uit 1967 'Vlaamsche gerechten' en het goeie ouwe kookboek van de Boerinnenbond, 'Ons kookboek' waarin niets dan waarheden staan. (Waar zouden wij zijn zonder de bijbel van de Boerinnenbond? Achter het fornuis? Neen. In de Pizzahut of in de Iglo, bij Marie Thumas, bij de meeneemchinees of in de frituur? Inderdaad).
En ja, ook daar is er vermelding van veel te veel eieren dan onze lever lief is. Voor 300 gram oud brood, een halve liter melk, 200 gram suiker, 50 gram rozijnen, een weinig kaneel en 1 lepel vanillemeel , stelt de Boerinnenbond 5 eieren. Zij vermeldt echter niet of het om een theelepel of een soeplepel vanillemeel gaat. Ik veronderstel, een soeplepel. Terwijl 'Vlaamsche gerechten' het over 8 eieren heeft. Dat lijkt mij iets over de top. Maar waar ligt de grens?
"Vanillemeel", zegden ze vroeger, het heeft toch iets landelijkers dan 'vanillesuiker'. Er zit meer binding in.
Ik twijfelde nog deze namiddag, omdat ik al eens een Vlaamse vlaai bak waarin slechts 5 eieren gaan voor 1 liter melk. En dat werkt perfect. Een stevige vlaai krijgt ge daarvan. Eén die achter de tanden blijft plakken en die altijd naar méér smaakt, zoals dat hoort bij vlaaien. Dat komt natuurlijk door de peperkoek die erin zit, en de speculaas.
Met oud brood liggen de zaken waarschijnlijk eventjes anders. Daar zit meer lucht in. Als ik jou was, dan zou ik het houden bij die 5 eieren op een halve liter melk. De Boerinnenbond zal wel gelijk hebben, experimenteren met minder eieren heeft geen zin.
Ik begrijp je perfect dat je met dat oud brood iets wil doen. Als je ziet hoelang zo'n halm erover doet om volwassen te worden, en wat ze er daarna allemaal niet moeten mee uithalen eer je je boterhammetje kan smeren. Dat wil je gewoon niet weten. Je kan er ook lekkere crostini's van maken. In schijfjes snijden, beetje kruidige olijfolie erop, wat zeezout en laten drogen op 50 graden. Daar geniet je nog het langst van, bij een glaasje wijn of zo.
Vijf eieren dus, laten we het daar op houden. Ik zou er ook een glaasje rum bijdoen, een jenevertje, een cognac, maakt niet uit. Als het maar iéts is. Interessanter wordt het als je de rozijnen een nachtje drank laat slurpen.
Laat het je smaken, lieve Betty
Tot later
Je M.
En ja, ook daar is er vermelding van veel te veel eieren dan onze lever lief is. Voor 300 gram oud brood, een halve liter melk, 200 gram suiker, 50 gram rozijnen, een weinig kaneel en 1 lepel vanillemeel , stelt de Boerinnenbond 5 eieren. Zij vermeldt echter niet of het om een theelepel of een soeplepel vanillemeel gaat. Ik veronderstel, een soeplepel. Terwijl 'Vlaamsche gerechten' het over 8 eieren heeft. Dat lijkt mij iets over de top. Maar waar ligt de grens?
"Vanillemeel", zegden ze vroeger, het heeft toch iets landelijkers dan 'vanillesuiker'. Er zit meer binding in.
Ik twijfelde nog deze namiddag, omdat ik al eens een Vlaamse vlaai bak waarin slechts 5 eieren gaan voor 1 liter melk. En dat werkt perfect. Een stevige vlaai krijgt ge daarvan. Eén die achter de tanden blijft plakken en die altijd naar méér smaakt, zoals dat hoort bij vlaaien. Dat komt natuurlijk door de peperkoek die erin zit, en de speculaas.
Met oud brood liggen de zaken waarschijnlijk eventjes anders. Daar zit meer lucht in. Als ik jou was, dan zou ik het houden bij die 5 eieren op een halve liter melk. De Boerinnenbond zal wel gelijk hebben, experimenteren met minder eieren heeft geen zin.
Ik begrijp je perfect dat je met dat oud brood iets wil doen. Als je ziet hoelang zo'n halm erover doet om volwassen te worden, en wat ze er daarna allemaal niet moeten mee uithalen eer je je boterhammetje kan smeren. Dat wil je gewoon niet weten. Je kan er ook lekkere crostini's van maken. In schijfjes snijden, beetje kruidige olijfolie erop, wat zeezout en laten drogen op 50 graden. Daar geniet je nog het langst van, bij een glaasje wijn of zo.
Vijf eieren dus, laten we het daar op houden. Ik zou er ook een glaasje rum bijdoen, een jenevertje, een cognac, maakt niet uit. Als het maar iéts is. Interessanter wordt het als je de rozijnen een nachtje drank laat slurpen.
Laat het je smaken, lieve Betty
Tot later
Je M.
zaterdag 13 september 2008
Stukske taart
Mevrouw, de taart die ik hier gisteren om veertien uur voor zestien euro kwam kopen, stamt waarschijnlijk uit een ander tijdperk. Het deeg is wak en ranzig, de crème pâtissière smaakt naar roquefort en op twee perziken staat een toefje haar. Het spijt mij dat ik u hier moet op wijzen, maar zestien euro is veel om in de vuilbak te gooien. Zelfs de kip wil er niet van weten en dat zegt toch alles.
“Jamaar mevrouw, iedereen kan hier zo komen klagen! Het spijt me dat ik u hierop moet wijzen, maar wij verkopen niets dan kakelvers”.
Waarschijnlijk hanteren wij verschillende begripsinhouden mevrouw. Als ik kalelvers denk dan denk ik: recht uit de oven, niet recht uit het achterste van een kip want zo smaakte het een beetje.
“Mevrouw, ik sta garant voor onze taarten, kijkt u maar in de vitrine, allemaal vers van deze ochtend”.
“Nu, dan moet ik u teleurstellen, want de taart die u mij gisteren verkocht, is een aanslag op het darmstelsel. Gelukkig hadden wij het van bij de eerste hap geproefd maar de stemming was meteen gaan vliegen. Mama was te beleefd om negatieve commentaar te geven, u weet hoe moeders zijn, ze heeft haar portie met de glimlach naar binnen gespeeld. Wij vierden haar drieënzeventigste verjaardag.
“Jamaar mevrouw, iedereen kan hier zo komen klagen! Het spijt me dat ik u hierop moet wijzen, maar wij verkopen niets dan kakelvers”.
Waarschijnlijk hanteren wij verschillende begripsinhouden mevrouw. Als ik kalelvers denk dan denk ik: recht uit de oven, niet recht uit het achterste van een kip want zo smaakte het een beetje.
“Mevrouw, ik sta garant voor onze taarten, kijkt u maar in de vitrine, allemaal vers van deze ochtend”.
“Nu, dan moet ik u teleurstellen, want de taart die u mij gisteren verkocht, is een aanslag op het darmstelsel. Gelukkig hadden wij het van bij de eerste hap geproefd maar de stemming was meteen gaan vliegen. Mama was te beleefd om negatieve commentaar te geven, u weet hoe moeders zijn, ze heeft haar portie met de glimlach naar binnen gespeeld. Wij vierden haar drieënzeventigste verjaardag.
“Mama, met welk cadeautje kan ik jou het meeste plezier doen?” had ik haar gevraagd. “Kind, ik heb alles, zei ze, het badkastje staat vol dure parfums die ik in mijn leven nooit meer leegspuit. De keuken puilt uit van de electronica die ik nooit gebruik, ik heb genoeg handtassen om de wereld in te dragen en kleren met hopen”.
“Wil je niet eens een mooi boek mama, of een filmreeks waar je van houdt?” vroeg ik haar nog. Maar overdag heeft ze het daar te druk voor en ‘s avonds is ze te moe, ze zei “Weet je wat? Koop ons maar eens een lekkere taart en een flesje Crèmant d’Alsace, daar kunnen we samen nog eens van genieten”.
Ik wilde voor haar een zelfgebakken kakelverse symfonie componeren, want ik heb veel goed te maken. Dat ik geboren ben bijvoorbeeld en anders ben uitgedraaid dan verwacht.
“Wil je niet eens een mooi boek mama, of een filmreeks waar je van houdt?” vroeg ik haar nog. Maar overdag heeft ze het daar te druk voor en ‘s avonds is ze te moe, ze zei “Weet je wat? Koop ons maar eens een lekkere taart en een flesje Crèmant d’Alsace, daar kunnen we samen nog eens van genieten”.
Ik wilde voor haar een zelfgebakken kakelverse symfonie componeren, want ik heb veel goed te maken. Dat ik geboren ben bijvoorbeeld en anders ben uitgedraaid dan verwacht.
Ik had alle ingrediënten klaarstaan voor de lekkerste taart ter wereld maar de electriciteitspanne in het dorp stak daar een stokje voor. Vier uur later zaten we nog zonder stroom en mijn oven is electrisch. Ze zouden om vijftien uur komen, daarom kwam ik om veertien uur nog snel naar uw bakkerij gefietst, ik werd gered door uw dure taart. Tenminste zo voelde het voor een uurtje. Kijk, ik heb ze hier in mijn tas zitten, proeft ù er eens van en oordeel zelf.
“Mevrouw het spijt me, maar in die taart is al gebeten. U denkt toch niet dat ik hiervan ga proeven? Waarschijnlijk heeft uw kip er al aan gezeten”.
Het stukje van de kip zit allang in de vuilbak, maar u kan er ook gewoon aan ruiken en naar de perziken kijken, die spreken voor zich. Zeg nu niet dat u deze taart niet herkent, u heeft haar gisteren nog uitbundig aangeprezen, en kijk eens op de doos, uw naam staat erop”.
“Het spijt me, wij ruilen geen verkochte goederen, ik kan u ook niet terugbetalen want dat brengt de boekhouder in de war”.
Wie spreekt hier van terugbetaling? Als u mij gisteren de waarheid had gezegd, dat u door de electriciteitspanne in taartgebrek zat dan had ik gewoon koekjes gekocht en had moeder niet de ganse nacht over de pot gehangen.
Ik zou met deze taart naar een commissie kunnen stappen of naar het gerecht, maar ik doe het niet. Ik kom u gewoon zeggen, dat u dit nooit meer mag doen. Ook een kleine zelfstandige moet weten wat de leugen met een mens kan aanrichten”.
“Mevrouw het spijt me, maar in die taart is al gebeten. U denkt toch niet dat ik hiervan ga proeven? Waarschijnlijk heeft uw kip er al aan gezeten”.
Het stukje van de kip zit allang in de vuilbak, maar u kan er ook gewoon aan ruiken en naar de perziken kijken, die spreken voor zich. Zeg nu niet dat u deze taart niet herkent, u heeft haar gisteren nog uitbundig aangeprezen, en kijk eens op de doos, uw naam staat erop”.
“Het spijt me, wij ruilen geen verkochte goederen, ik kan u ook niet terugbetalen want dat brengt de boekhouder in de war”.
Wie spreekt hier van terugbetaling? Als u mij gisteren de waarheid had gezegd, dat u door de electriciteitspanne in taartgebrek zat dan had ik gewoon koekjes gekocht en had moeder niet de ganse nacht over de pot gehangen.
Ik zou met deze taart naar een commissie kunnen stappen of naar het gerecht, maar ik doe het niet. Ik kom u gewoon zeggen, dat u dit nooit meer mag doen. Ook een kleine zelfstandige moet weten wat de leugen met een mens kan aanrichten”.
dinsdag 9 september 2008
Bericht uit het hiernamaals
De operatie is voorbeeldig verlopen, al weet je dat als patiënt natuurlijk nooit helemaal zeker want je ziet er geen steek van. Behalve als het een oogoperatie is, daar gaan ze met een paradox te werk, daar moét je je ogen openhouden en krijg je alleen een plaatselijke prik.
Misschien hebben de chirurgen met wattenproppen naar hun assistentes gegooid, volgezogen met mijn bloed, terwijl de stageaires gore cantusliederen over mijn ingewanden heen zongen. U zapt ook wel eens op een ziekenhuisserie, u weet wat ik bedoel.
Mijn moeder die verpleegster was, placht te vertellen hoe ze in de operatiekamer de ballen van een balkankerman naar elkander kogelden. Echt gebeurd.
Misschien hebben de chirurgen met wattenproppen naar hun assistentes gegooid, volgezogen met mijn bloed, terwijl de stageaires gore cantusliederen over mijn ingewanden heen zongen. U zapt ook wel eens op een ziekenhuisserie, u weet wat ik bedoel.
Mijn moeder die verpleegster was, placht te vertellen hoe ze in de operatiekamer de ballen van een balkankerman naar elkander kogelden. Echt gebeurd.
Ik gun het ze wel, ze mogen met mijn tumor gooien, zolang ze maar voorzichtig mikken, want aan humor hebben die mensen een nijpend tekort. Ze doen hun best hoor, maar ze blijven steken in slagersgrapjes.
“Hoe voelt u zich?”, vragen ze als je je ogen weer open doet.
“Geknipt en genaaid” fluister ik dan want er is geen kracht om te praten. Daar moeten ze telkens zo vreselijk om lachen, ik wéét inmiddels hoe je scoort bij de medische staf. Als je de waarheid zegt: “Ik voel me ellendig, alles doet pijn, ben ik al dood, waar blijft de morfine?”, dan kijken ze amper naar je om.
“Hoe voelt u zich?”, vragen ze als je je ogen weer open doet.
“Geknipt en genaaid” fluister ik dan want er is geen kracht om te praten. Daar moeten ze telkens zo vreselijk om lachen, ik wéét inmiddels hoe je scoort bij de medische staf. Als je de waarheid zegt: “Ik voel me ellendig, alles doet pijn, ben ik al dood, waar blijft de morfine?”, dan kijken ze amper naar je om.
Maar kunnen we het hen kwalijk nemen? Het gaat daar ook aan de lopende band. Om zeven uur hysterectomie, om acht een hersenletsel tot een stuk na de middag, zonder lunch nota bene. Daar komt eerst de boormachine bij te pas. Wie van ons durft een boormachine hanteren, laat staan op een lege maag en in een levend object?
Ik ben er naartoe gegaan met het flegma van een auto. Jongens en meisjes, sleutel er maar eens aan, aan die motor. Schraap dat roest er maar af, schroef bij, die bouten.
Is dat helemaal waar? Natuurlijk niet. Ik was zo bang als een rund in een abattoir. De hartslagmonitor sloeg tilt. Ik heb hen allemaal vervloekt.
Voor het inslapen heb ik nog eens flink mijn mening gezegd, want ik dacht, misschien word ik nooit meer wakker, wat heb ik te verliezen? Dan heb ik toch nog eens flink mijn mening gezegd.
“Tel eens tot tien”, zei dokter Anastasia toen.
“Nader bij u mijn god, u naderbij”, zong ik à la Elisabeth Schwarzkopf. U weet wel, het lied van de Titanic.
We hebben weer wat afgelachen.
donderdag 4 september 2008
Prins-dom aan de Schelde
Voor Carlo die al dertig jaar in oppositie voor het behoud van Gavere tegen Karels vecht.
...Heel lang geleden lag er een dorp aan een rivier niet ver van hier. Er woonden net genoeg mensen om dorpse dingen mee te doen. Je had de smid, de kastelein, de timmerman, een vroedvrouw en twintig kroostrijke boerenfamilies die elk hun eigen broodjes bakten. De mannen sloegen mekaar wel eens een blauw oog aan de toog, maar voor bier was er enkel ’s winters tijd. Vrouwen schreeuwden er alleen in barensweeën of wanneer manlief weer eens gemarineerd kwam aangelald. Verder maakten enkel de kerktoren op zondag, de honden bij volle maan, de kraaien in de zomer en de paarden op de keien er kabaal.
Op een gure novembernoen passeerde ene Keizer Karel door het dorp. De wind blies uit het Noordgat, vette sneeuwwolken zetten hun sluizen open, de keizer werd nat. Hij parkeerde zijn paard bij de Afspanning naast de kerk, schroefde de zware kroon met edelstenen van zijn hoofd en bond ze onder zijn zadeltas vast. Kwestie van de dorpelingen niet met zijne keizerlijkheid af te schrikken.
“Waarmee kan ik u plezieren vreemdeling?”, vroeg de kastelein. "Geen weer vandaag hé, kom zet u hier bij den haard, laat mij uw mantel te drogen hangen”.
“Ik heb niet veel tijd, bibberde de keizer zo incognito mogelijk, ‘k heb nog drie uur te rijden voor het donker. Een boterham met hesp, daar kunt ge mij nu het snelst mee plezieren beste man”.
“Niks van, lachte de kastelein, aan fastfood doen wij hier niet mee, een ruiter die niet flink eet, kan geen teugels vieren”. En nog voor de keizer zeven keer ‘een boterham met hesp’ kon zeggen, werd er een dampende kom erwtensoep voor zijn neus gezet, een smakelijke stoemp met reuzel en rijstevlaai als toetje. Hij smikkelde en smulde, hij had het nog nooit zo warm vanbinnen gekregen voor zo weinig geld. Keizerlijk, maar incognito burpend schonk hij de kastelein een heus goudstuk. Hij trok zijn opgewarmde mantel weer aan, sprong gehaast op zijn ros en galoppeerde gezwind de sneeuwstorm in naar belangrijke plichten.
“Waaraan heb ik toch zulke goeie onderdanen verdiend?”, peinsde hij. Hij was vergeten zijn kroon op te zetten en na een galop van een minuut of tien rolde ze vanonder zijn zadelzak met een doffe plof in de sneeuw.
...De seizoenen keerden en op een warme meidag kwam een boerenzoon uit een naburig dorp wat vadsig aangekuierd. Hij heette ook Karel en was wat simpel en sloom. Zijn vader had hem bij een timmerman in de leer gestuurd omdat hij voor de boerenstiel niet deugde. Hij kon geen tarwe van rogge onderscheiden, geen riek van een hark en hij had een fobie voor schapen.Karel zag de kroon tussen de papavers liggen, schopte er wat onverschillig tegen en zette haar met een zucht op zijn verveelde lege kop. Ineens voelde hij een vreemde tinteling. Het hoofd van Karel sloeg blauw uit en begon ambitieuze gedachten te denken, een keizerskroon weegt zwaar op simpele slome hoofden. Met wakkere tred zette hij zijn wandeling naar het dorp verder maar bij elke stap zakte de kroon dieper en voelde Karel zich belangrijker worden. Hij wandelde niet meer, hij schreed.Theatraal zwaaide hij de deur van de Afspanning open en ging in spreidstand in het deurgat staan. De gesprekken verstomden. Iemand met zo’n kroon, zo’n kleur en zoveel zwier moest minstens van prinsenlijken bloede zijn.
“Waarmee kan ik u plezieren, nobele vreemdeling?”, vroeg de kastelein.
"Een tournee general voor al deze brave mensen hier!”, riep Karel. En ook al hadden de boeren in de taverne geen tijd meer voor praatjes, toch lieten zij zich nog een tweede en een derde tournee trakteren. Ze waren in de ban van de kroon en van de gewichtige woorden van Karel die alsmaar verliefder werd op zijn eigen stem.
“Brave boeren, ik ga jullie rijk maken, declameerde hij tijdens zijn vierde rondje, wij gaan een aanlegsteiger bij de rivier bouwen. De mensen uit de stad zullen jullie graan komen kopen, kippen, kaas, bloemkolen, hesp, schorseneren en prei. Ze komen jullie biertonnen leegzuipen en vlaaien vreten. Jullie worden zo rijk dat personeel jullie werk zal doen. En dan kunnen jullie iedere namiddag rustig in de taverne zitten!”.
“Dat doen we nu toch ook al”, piepte iemand aan de toog.
Iedereen zweeg, voor een historische seconde of tien was de spanning in de Afspanning te snijden. Je kon hen allemaal tegelijk horen denken.
“Ja maar, riep Karel, niemand zal zijn eigen handen nog moeten vuilmaken. Niemands vrouw zal nog naar zweet stinken, alle vrouwen zullen lekker ruiken. ‘t Zal hier vol schoonheden lopen uit de stad, met diepe décolletés en portemonnees”.Vooral de décolletés maakten de tongen weer los en wekten de ondernemingszin.
“Laat die aanlegsteiger maar komen!”, riepen ze vol geestdrift, geilheid en drank.Nooit had slome Karel ervan kunnen dromen zo populair te zijn, hij schudde iedereen de hand, zoals koningen doen op nationale feestdagen. Voornaam waggelend schreed hij toen de buitenlucht in en er werd nog lang over hem nagekaart. Over hoe’n joviale kerel hij wel was, en dat je toch echt wel blauw bloed moest hebben om met zo’n geniaal plan af te komen.
“Allemaal goed en wel, zuchtte de kastelein, maar hij heeft zijn joviale rekening toch geniaal niet betaald”.
...De aanlegsteiger bracht wel wat geld in het dorp, maar lang niet in ieders laatje. Schepen meerden op onvoorspelbare tijdstippen aan, het kwam erop neer dat wie het dichtst bij de aanlegsteiger woonde, het snelste verdiende. En van het één kwam het ander, het aloude verhaal. De rust verdween, men was elkanders concurrent geworden. Over hun geliefde akkers verschenen uit alle richtingen nieuwe paden naar de rivier toe die alsmaar harder, talrijker en breder werden, als spataders op een sierlijke kuit.
...Seizoenen keren, tijdperken passeren maar kronen vergaan niet. Iedere eeuw had wel een Charel die de keizerskroon opzette en een geniaal plan ter bevordering van commercie uitbazuinde. Voor ze er erg in kregen, hadden ze hun eigen broodwinning onder geplaveid en waren ze geen boerendorp meer maar een handelsgemeente die haar koolhydraten en proteïnen uit de supermarkt haalde, water uit plastic flessen en vitamines uit de apotheek. Ze hadden nu wel propere handen, vrouwen en wc’s die permanent naar fresia’s geurden, décolletés à volonté , maar ze sliepen slecht. Ze woonden met zo velen bij de rivier dat geen vis er nog in wilde zwemmen, geen zwaluw of mus die nog bij hen kwam nestelen, geen kind dat er nog in het gras speelde. Hun wegen zaten vol stinkende voertuigen, hun weiden vol steriele woonwijken waarin ze leefden van diepvries en nostalgie naar lang vervlogen vrije dagen. Het gemeentebestuur paaide hen met kermissen en koersen, met vuurwerk en mooie woorden over vooruitgang.
Op een dag organiseerde men een tentoonstelling over de historie van het dorp, kwestie van de gemeenschapszin kunstmatig te beademen. Er werden veel gebroken potten en scherven uitgestald, documenten met wapenfeiten, wat schilderijen en vergeelde foto’s uit de stille tijd van toen. Pronkstuk was de aparte vitrinekast waarin de vermoedelijke kroon van Keizer Karel op een blauw satijnen kussentje prijkte.
De schepen van cultuur bereidde zich voor op zijn openingsspeech. Zat zijn das wel goed? Stond zijn gulp niet open, puilde zijn buik niet te ver boven zijn broeksriem uit? Hij bekeek zichzelf gedetailleerd in het glas van de vitrinekast, glimlachte voldaan naar zijn spiegelbeeld en dacht, “Karel jongen, want zo heette hij, dat hebt gij toch weer goed geregeld”.
Toen zag hij de kroon op het blauwe kussentje liggen en hij kon het natuurlijk niet laten haar eventjes te strelen. Hij kreeg daar zalige tintelingen van. Met galante tred schreed hij de feestzaal binnen waar het publiek ongedurig op hem wachtte, want pas na zijn toespraak rukten de gratis drankjes aan.
Karel ging voor de micro staan en keek de zaal vanuit lichte spreidstand een minuut lang aan. Hij was zijn speech vergeten en riep:
“Beste medeburgers, ik ga jullie beroemd maken! Ik laat een viaduct over onze gemeente bouwen zodat doorgaand verkeer niet meer door onze straten passeert. De Chinezen hebben hun muur, de Romeinen hun aquaduct. Maar wij zullen de eerste gemeente zijn die een duurzame stap naar science fiction zet. De eerste gemeente onder een viaduct!”.
Op de derde rij kreeg iemand de slappe lach, maar de rest van de zaal bleef stil.
...Voor een historische seconde of tien was de spanning op de tentoonstelling te snijden. Je kon hen allemaal tegelijk horen denken...
Tot de drankjes kwamen, de zalmhapjes en de canapés met kaviaar, die uit de Aldi kwam.
dinsdag 2 september 2008
Mijn profiel
“Masjenka waarom heb jij geen profiel?”, vragen mensen mij soms en dan vertel ik hoe moe ik word van mijn profiel, ik wil het de mensen niet aandoen, waarop zij dan weer iets anders zeggen en ik dan weer iets en ja, ook daar word ik moe van. ’t Is kiezen tussen twee soorten moeheid, niet echt een dynamische profilering dus.
Op de duur kweek je een voorraadje argumenten. Zo hoor ik mezelf vaak zeggen: wie mijn profiel wil kennen moet mijn stukjes maar lezen, daar staat alles in, en wat er niet staat dat komt nog wel. Soms overdrijf ik een beetje natuurlijk en ik knoei met mijn tijdslijn, soms zet ik er ook stevig de rem op maar ’t is allemaal uit het leven gegrepen. Waarom zou je dingen verzinnen als de onwaarschijnlijkheden in je leven voor het rapen liggen?
“Misschien willen de mensen gewoon weten hoe oud je bent bijvoorbeeld?”.
Ja, vooral mannen. Vrouwen vragen mij meestal of ik cellulitis heb of kinderen en mijn antwoord daarop is ja en neen, ik wil het ze niet aandoen.
Mensen moeten enkel kunnen lezen en tellen, dan weten ze meteen dat ik in een revolutionair jaar geboren ben, het jaar waarin Congo de onafhankelijkheid kreeg en Anton Pannekoek stierf. Maar ik was een ezelsdracht. Ik werd verwacht op 15 oktober, verjaardag van Nietzsche, en kwam er pas op allerheiligen uit, een treurdag bij uitstek en bijna verjaardag van Dostoïevkski want we zitten natuurlijk met die lengtegraad. Tweeëntwintig jaar later heb ik dat willen goedmaken met een vergelijkende studie, ‘Dostoïevski en Nietzsche, de overwinning op het nihilisme’ waarin ik Nietzsche liet winnen. Daarna heb ik zestien jaar in de hoofdstad gewoond waar ik bijna dagelijks ten huwelijk werd gevraagd, maar slechts één keer door een Belg. Dat mocht dan weer niet van zijn moeder omdat ik niet van adel was én Vlaamse bovendien. Niet dat ik ja gezegd heb, ik zei dat ik er eens wou over nadenken en moest lang nadenken, gelukkig heeft zijn moeder toen voor mij beslist. Hij draagt nu een toupetje en een aktentas.
In het jaar 2000 kwam ik op de buiten wonen. Dat ik daar nooit eerder aan gedacht had, ik ben hier veel gelukkiger dan in de stad. Enkel onder dwang krijg je mij nog naar Brussel, voor een begrafenis, of als een vriend een performance geeft. Hier hebben de mannen ook geen verblijfsvergunning nodig, ze knijpen niet in je billen, ze zitten hoog op hun tractor, hier heb ik rust.
“Hoe zit dat met de foto Masjenka, die is toch al een beetje verouderd?”.
Het moest snel gaan voor de bloginstallateur. Die foto was de enige op mijn computer waar ik alleen op stond, zonder wijnglas, een rozenstruik, een rots of zo, zonder andere mensen met een glas in de hand. Want dat zou weer een verkeerd beeld scheppen, dat ik een groep ben of een toerist. Terwijl als ik iets niet ben dan is het toch een groepsgebeuren.
“Kan je niet een tempootje lager gaan?” , vraagt iemand die het goed meent.
Ik wil het proberen, maar als de man met de zeis achter je aanholt dan kan het niet snel genoeg gaan. ’t Ligt natuurlijk niet alleen aan hem, ’t ligt ook aan de soep die staat over te koken en de taart die aanbrandt. Multi-tasken heet dat tegenwoordig.
“En Masjenka, waarom noem je jezelf Masjenka?”.
Waarom? Omdat de Russen mij zo noemen tiens, waarom anders. Die hebben daar allemaal Nabokov gelezen, tenminste, toch de Russen die ik heb gekend.
zondag 31 augustus 2008
Kopeke of let
Dinsdag werd het nieuwste boek van een ouwe schoolmakker geïnaugureerd. Omdat het een boek over Rusland was, ging dat gepaard met vodka in de ondergrondse Doucha bar van Café Les Nouveaux Russes.
Ik voelde mij daar direct thuis. De prullaria, de muziek, de drank, de bediening, alles was er in het Russisch. De muren van de twee toiletten waren behangen met driehonderd vijfendertig verschillende vodka-etikketten. Ik ging vier keer plassen om ze allemaal te tellen en maakte telkens een praatje met de Oekraïense vestiairemadam, omdat ze zich verveelde.
Ook het boek zag er voortreffelijk uit. De foto op de kaft sprak boekdelen, ik wilde er meteen in lezen maar het was er veel te donker, er waren teveel mensen, ik had mijn leesbril niet bij en had al een vodka op.
Van de toespraken kon ik niets verstaan. In de Doucha waren twee ruimtes, één met en één zonder zitplaatsen en in deze laatste werd er gespeecht. Maar ik was te moe om staande te luisteren. Er was een biopsie uit mijn onderbuik genomen, ik voelde me als het kleine zeemeerminnetje dat bij iedere stap haast in tweeën splijt.
Daarom had ik mij in de comfortabelste zetel bij de bar geïnstalleerd waar ook wat te beleven viel. Ik stak een sigaret op, nipte aan een vodka en ving wat speechflarden op.
“Bestaat de Russische ziel?”, klonk het van ver, en verder iets over eeuwig lekkende hotelkranen.
Een jong en slank lesbisch koppel stond naast mij onafgebroken te kussen op een manier die men alleen in Franse films ziet, je t’aime, moi non plus. Je kon er niet naast kijken.
In de mooiste en de donkerste van de tongende tortelduiven herkende ik een bekende schrijfster. Ze kwam naar me toe met een muntstuk en vroeg:
“ Mag ik een sigaretje van u?”.
Een beleefd truukje dat werkt. Ik grabbelde naar mijn pakje en zei dat het zelfgedraaide sigaretten waren, waarop zij gelijk blijk gaf van haar dédain voor de zelfgedraaide sigaret:
“Shit, ‘t is niet waar”.
Toen ze zag dat er wel degelijk een filter aanzat, draaide ze bij:
“Oh, zo’n mooi geprepareerde sigaretjes”.
“t Is dan nog bio tabak”, zei ik met ingetoomde trots.
“Meen je dat nu echt, vroeg ze, zo van die lange tabaksbladen?”.
“Ja, maar ik koop ze wel al versneden, met twee kilo tegelijk”.
Toen gaf ik haar een sigaret en reikte mijn aansteker aan. Zij wilde mij haar muntstuk geven.
“Je moet hier niet voor betalen hoor, lachte ik, tenzij je er twintig komt vragen natuurlijk”.
Misschien heeft de sigaret haar niet gesmaakt want ze keerde niet terug, maar in ieder geval was het gedaan met kussen.
De bar van de Doucha stroomde weer vol met vrienden van de literatuur en van de schrijver. Ze babbelden over de kunstjes van hun kinderen, socialiseerden wat zouteloos heen en weer over vanalles en niets.
De avond was al vijf of zes vodka’s opgeschoten toen ik iemand hoorde zeggen dat het de plicht van de schrijver is om zijn producten de wereld in te sturen.
“Woorden zijn niet van ons, eens je klaar bent met je tekst behoort hij je niet meer toe en moet hij uitgegeven worden”.
Er werd in mijn richting gekeken alsof ik schuldig was aan misdadig plichtsverzuim.
“Santé, dacht ik, de boumshakalah speelt weer mee”.
Nu zijn plicht en moeten twee van die woorden die bij mij niet vrij gaan van verdenking. Dat komt door mijn grootvader zaliger, een man van spaarzame woorden en van stille liefdevolle daden, die af en toe langs zijn pruimtabak heen verzuchtte: “Moeten is dwang en plicht rijmt op jicht”.
Ik moest aan Gogol denken die alleen maar publiceerde omdat hij zichzelf geniaal vond en voor docent geschiedenis niet deugde. Aan Tsjechov die er naast zijn artsenpraktijk een kopeke mee bijverdiende. Dostojevski betaalde er zijn speelschulden mee en onderhoud van vrouw en kroost, schuld en boete. Pushkin was op zijn vijftiende al troeteldier van de keizerin.
Dieper de tijdslijn afzwalpend kwam ik bij de bijbel en zijn jonge broertje uit, de koran, de miserie die zij ons hebben aangedaan. Enkel Shakespeare kreeg nog genade, Emily Dickinson en bij nader inzien ook een paar anderen maar hun namen schoten mij niet te binnen.
Geografisch zakte ik naar Vlaanderen af en zag de prutproducten weer die de wereld waren ingestuurd tot verplichte schoollectuur en gelukkig allang zaten waar ze van woord één al hadden moeten zitten, in de universele prullenbak.
“Iedereen mag schrijven, zei ik, maar zou het niet vriendelijker zijn tegenover de bomen als er wat minder gedrukt werd?”.
Misschien was ik niet ironisch genoeg want ik werd meteen beschuldigd van nihilisme. Maar daarmee kreeg de avond eindelijk toch nog een Russisch kwispelstaartje.
Woensdag kwam ik tot de conclusie dat de vodka van de Doucha van dat malafide zelf gestookt spul moet geweest zijn waarvan ik in Sint-Petersburg menig Russische beer heb zien wenen na zijn vijftigste gram. Ze meten de vodka daar in grammen en tranen.
De zon scheen, in de tuin speelden de poezen, de Hibiscus bloeide en ik kreeg daar alleen maar tranen van. Ik huilde zelfs bij het weerbericht en om achttien uur ging de telefoon. Het was de biopsiedokter die meldde dat ik dringend geopereerd moet worden.
“Hoe dringend is dringend?”, vroeg ik hem.
Hij zei: “Zeer dringend”.
Dat wordt dan de tiende keer dat ik onder het mes moet, en een mens wordt daar telkens een beetje kleiner van, van dat mes.
“Shit”, dacht ik, “had ik dat muntstuk van die bekende schrijfster maar aanvaard. Dan kon ik het in de dokter zijn gat steken”.
Ik huilde nog twee dagen en twee nachten , en gisteren pootte ik de winterprei.
Ik voelde mij daar direct thuis. De prullaria, de muziek, de drank, de bediening, alles was er in het Russisch. De muren van de twee toiletten waren behangen met driehonderd vijfendertig verschillende vodka-etikketten. Ik ging vier keer plassen om ze allemaal te tellen en maakte telkens een praatje met de Oekraïense vestiairemadam, omdat ze zich verveelde.
Ook het boek zag er voortreffelijk uit. De foto op de kaft sprak boekdelen, ik wilde er meteen in lezen maar het was er veel te donker, er waren teveel mensen, ik had mijn leesbril niet bij en had al een vodka op.
Van de toespraken kon ik niets verstaan. In de Doucha waren twee ruimtes, één met en één zonder zitplaatsen en in deze laatste werd er gespeecht. Maar ik was te moe om staande te luisteren. Er was een biopsie uit mijn onderbuik genomen, ik voelde me als het kleine zeemeerminnetje dat bij iedere stap haast in tweeën splijt.
Daarom had ik mij in de comfortabelste zetel bij de bar geïnstalleerd waar ook wat te beleven viel. Ik stak een sigaret op, nipte aan een vodka en ving wat speechflarden op.
“Bestaat de Russische ziel?”, klonk het van ver, en verder iets over eeuwig lekkende hotelkranen.
Een jong en slank lesbisch koppel stond naast mij onafgebroken te kussen op een manier die men alleen in Franse films ziet, je t’aime, moi non plus. Je kon er niet naast kijken.
In de mooiste en de donkerste van de tongende tortelduiven herkende ik een bekende schrijfster. Ze kwam naar me toe met een muntstuk en vroeg:
“ Mag ik een sigaretje van u?”.
Een beleefd truukje dat werkt. Ik grabbelde naar mijn pakje en zei dat het zelfgedraaide sigaretten waren, waarop zij gelijk blijk gaf van haar dédain voor de zelfgedraaide sigaret:
“Shit, ‘t is niet waar”.
Toen ze zag dat er wel degelijk een filter aanzat, draaide ze bij:
“Oh, zo’n mooi geprepareerde sigaretjes”.
“t Is dan nog bio tabak”, zei ik met ingetoomde trots.
“Meen je dat nu echt, vroeg ze, zo van die lange tabaksbladen?”.
“Ja, maar ik koop ze wel al versneden, met twee kilo tegelijk”.
Toen gaf ik haar een sigaret en reikte mijn aansteker aan. Zij wilde mij haar muntstuk geven.
“Je moet hier niet voor betalen hoor, lachte ik, tenzij je er twintig komt vragen natuurlijk”.
Misschien heeft de sigaret haar niet gesmaakt want ze keerde niet terug, maar in ieder geval was het gedaan met kussen.
De bar van de Doucha stroomde weer vol met vrienden van de literatuur en van de schrijver. Ze babbelden over de kunstjes van hun kinderen, socialiseerden wat zouteloos heen en weer over vanalles en niets.
De avond was al vijf of zes vodka’s opgeschoten toen ik iemand hoorde zeggen dat het de plicht van de schrijver is om zijn producten de wereld in te sturen.
“Woorden zijn niet van ons, eens je klaar bent met je tekst behoort hij je niet meer toe en moet hij uitgegeven worden”.
Er werd in mijn richting gekeken alsof ik schuldig was aan misdadig plichtsverzuim.
“Santé, dacht ik, de boumshakalah speelt weer mee”.
Nu zijn plicht en moeten twee van die woorden die bij mij niet vrij gaan van verdenking. Dat komt door mijn grootvader zaliger, een man van spaarzame woorden en van stille liefdevolle daden, die af en toe langs zijn pruimtabak heen verzuchtte: “Moeten is dwang en plicht rijmt op jicht”.
Ik moest aan Gogol denken die alleen maar publiceerde omdat hij zichzelf geniaal vond en voor docent geschiedenis niet deugde. Aan Tsjechov die er naast zijn artsenpraktijk een kopeke mee bijverdiende. Dostojevski betaalde er zijn speelschulden mee en onderhoud van vrouw en kroost, schuld en boete. Pushkin was op zijn vijftiende al troeteldier van de keizerin.
Dieper de tijdslijn afzwalpend kwam ik bij de bijbel en zijn jonge broertje uit, de koran, de miserie die zij ons hebben aangedaan. Enkel Shakespeare kreeg nog genade, Emily Dickinson en bij nader inzien ook een paar anderen maar hun namen schoten mij niet te binnen.
Geografisch zakte ik naar Vlaanderen af en zag de prutproducten weer die de wereld waren ingestuurd tot verplichte schoollectuur en gelukkig allang zaten waar ze van woord één al hadden moeten zitten, in de universele prullenbak.
“Iedereen mag schrijven, zei ik, maar zou het niet vriendelijker zijn tegenover de bomen als er wat minder gedrukt werd?”.
Misschien was ik niet ironisch genoeg want ik werd meteen beschuldigd van nihilisme. Maar daarmee kreeg de avond eindelijk toch nog een Russisch kwispelstaartje.
Woensdag kwam ik tot de conclusie dat de vodka van de Doucha van dat malafide zelf gestookt spul moet geweest zijn waarvan ik in Sint-Petersburg menig Russische beer heb zien wenen na zijn vijftigste gram. Ze meten de vodka daar in grammen en tranen.
De zon scheen, in de tuin speelden de poezen, de Hibiscus bloeide en ik kreeg daar alleen maar tranen van. Ik huilde zelfs bij het weerbericht en om achttien uur ging de telefoon. Het was de biopsiedokter die meldde dat ik dringend geopereerd moet worden.
“Hoe dringend is dringend?”, vroeg ik hem.
Hij zei: “Zeer dringend”.
Dat wordt dan de tiende keer dat ik onder het mes moet, en een mens wordt daar telkens een beetje kleiner van, van dat mes.
“Shit”, dacht ik, “had ik dat muntstuk van die bekende schrijfster maar aanvaard. Dan kon ik het in de dokter zijn gat steken”.
Ik huilde nog twee dagen en twee nachten , en gisteren pootte ik de winterprei.
vrijdag 29 augustus 2008
De verrijzenis van Toepes' Sooi
Aan alles komt een eind, ook aan Toepes’ Sooi die gisteren te ruste werd gelegd naast de beschimmelde zerk van zijn Marie. Veel volk kwam er niet kijken en zij die kwamen waren potdoof of zaten na de offerande stevig te dutten. Meneer pastoor communiceerde wat in het ijle en kwispelde hen tijdens de absouten wakker met zijn natte kwast.
Na afloop werd er richting café gestrompeld waar de porto zijn ding deed en Sooi over de tongen ging. Er werd éénstemmig geklonken dat het een beste kerel was, een doorzetter en een deugniet. Menige frats van Sooi was allang legende maar werd aan de toog nog eens overgedaan. Hij had zelfs zijn enige zoon overleefd, Toepes’ Sooisens Staaf, en had hij het iets langer getrokken, een dag of tien, was er meer volk naar zijn begraving gekomen. Dan was hij honderd geworden en door de burgemeester gedecoreerd. Een detail dat als nieuwe legende werd geboekstaafd. De laatste frats van Sooi, die niet op zijn decoratie verscheen.
Na afloop werd er richting café gestrompeld waar de porto zijn ding deed en Sooi over de tongen ging. Er werd éénstemmig geklonken dat het een beste kerel was, een doorzetter en een deugniet. Menige frats van Sooi was allang legende maar werd aan de toog nog eens overgedaan. Hij had zelfs zijn enige zoon overleefd, Toepes’ Sooisens Staaf, en had hij het iets langer getrokken, een dag of tien, was er meer volk naar zijn begraving gekomen. Dan was hij honderd geworden en door de burgemeester gedecoreerd. Een detail dat als nieuwe legende werd geboekstaafd. De laatste frats van Sooi, die niet op zijn decoratie verscheen.
Maar de strafste van al was zijn wonderbaarlijke genezing.
De dag van zijn pensioen werd Sooi niet goed van een mysterieuze ziekte die hem aan de rolstoel kluisterde. Twintig jaar lang soigneerde Marie hem gelijk een lamme koning, wat zeg ik? Een keizer, een paus. Toen ’t arme mens stierf, moest Sooi naar het rusthuis, waar hij plots opstond, zijn rolstoel opplooide en wandelde. Waar hij nog vijftien jaar kwiek achter de vrouwtjes liep.
dinsdag 26 augustus 2008
Dieu est un blablagueur digitale
J’aimerais vous blogger du blogging. Je ne suis pas spécialiste, je ne suis bloggificatrice que depuis un mois .et quelques nuits. Je ne suis même pas amatrice, je blogge sans savoir pourquoi.
Qu’est-ce que c’est le blogging, je me demande parfois. Est-ce du narcissisme, est-ce un art quelque part ? Un escapisme d’une solitude existentielle ? Une expression fondamentale du ‘moi’ universel ? Sommes-nous la création du dieu Googel ? Ou sommes nous créateurs de ce même dieu ? Jusqu’où mènera-t-il ce chemin virtuel ?
“Kunt ge dat eens in ’t Zwalms zeggen!”, roept iemand uit het publiek.
Qu’est-ce que c’est le blogging, je me demande parfois. Est-ce du narcissisme, est-ce un art quelque part ? Un escapisme d’une solitude existentielle ? Une expression fondamentale du ‘moi’ universel ? Sommes-nous la création du dieu Googel ? Ou sommes nous créateurs de ce même dieu ? Jusqu’où mènera-t-il ce chemin virtuel ?
“Kunt ge dat eens in ’t Zwalms zeggen!”, roept iemand uit het publiek.
En toen liep de wekker af.
zondag 24 augustus 2008
Oproep uit het ongerijmelde
Onze Stichting Behoud Het Rijm telt nog vier leden. Drie mannen van derde leeftijd en een vrouw van achtenveertig die op de rand van de menopauze staat. De anderen zijn heengevlogen, één is schielijk van haar fiets geblazen, een ander van een vroege prostaat en de rest van lang genoeg te leven. Nieuw bloed kondigt zich niet aan.
We mogen duidelijk stellen dat het rijm op haar laatste jambe hinkt. Het rijm is slechts nog smartlap, klare taal voor kleuters en dementen, almanakvertier voor weermannen en zatte nonkels, maar geen spek voor de bek van de jeugd. Rijm rijmt slechts nog op slijm, behalve voor de rappers dan maar die doelgroep bereiken wij nooit. Die mensen hebben het nog druk met onsterfelijk wezen, ook al rijmen ze over doodslag en zelfvermorzeling.
Het rijm is meer dan een halve eeuw zelfs bij zijn scheppers in ongena gevallen, bij barden , dichters, bij de doodsprent. En daarmee verglijdt de algebra uit ons woord, de abracadabra uit het leven, de dans, de kadans, de ballade, de glose. Ja, googelt u maar eens naar de glose en lieve mensen geloof toch niet alles wat u daar vindt.
Persoonlijk kan ik tien kaskrakers smetteloos uit het hoofd debiteren waaronder de bloedworst van JH SPeenhoff. Ik kan u verzekeren dat zoiets zonder rijm nooit lukt. Als iemand van u die geen savant sauvage is een rijmloos gedicht van zes strofen over een bloedworst kan opzeggen, gelieve u kenbaar te maken bij onze Stichting. Wij staan open voor wetenschappelijk onderzoek. Strofen, nog zoiets, zij worden even schaars als, ja als wat? Als schaarse dingen zoals kledingstukken die tien jaar meegaan in de bontwas op 60° bijvoorbeeld.
Deze tien simpele gedichten hebben mijn gedachten gestuurd omdat ze kant en klaar in mijn hoofd zaten. Waar ze zonder rijm nooit hadden gezeten, je hebt niet altijd je Komrij bij de hand. Ik heb daar nog geen seconde spijt van gekregen Zij hebben mij behoed voor overmoed en ijdelheid, mij met meligheid voorbereid op eindigheid, mededogen bij me ingeprent, relativiteit en luchtigheid. En dit alles zonder god.
Wanneer mijn moeder een gedicht opzegt heeft ze geen soundtrack vandoen om een traan in mijn oog te schieten, dan is ze van zichzelf al Il Postino genoeg.
Hoe doet ze dat toch vraag ik me dan af, zo zonder de juiste belichting of achtergrondviolen mij doen vluchten naar de keuken opdat ze mijn rooie ogen niet zou zien.
Het ligt natuurlijk aan haar timbre en haar timing. Zij doet het bijvoorbeeld terwijl ze de koffie schenkt, of terwijl zij ’s avonds in de zetel het kruiswoordraadsel van de dag oplost.
Maar het ligt ook aan het rijm dat metrum in de dingen brengt, dat zegt zo is het en niet anders, zo wetmatig is ons lot, of je nu bloedworst bent, radijs of mens. Zonder rijm had ook moeder die gedichten nooit onthouden. Daar gaat het om bij onze Stichting. Dat er toch iets in het leven zit dat niet teloor mag gaan, zoals de juke-box bijvoorbeeld of de autoped.
Daarom vragen wij u, bezoeker van onze eerste website: Behoud het rijm in uw leven.
Uw rijmen wordt het laatste woord dat van u nog wordt gesproken.
“Als ik mijn ogen toedoe, ben ik in Honolulu”, Reisgedicht van J.A. Deelder.
Meer moet dat niet zijn.
We mogen duidelijk stellen dat het rijm op haar laatste jambe hinkt. Het rijm is slechts nog smartlap, klare taal voor kleuters en dementen, almanakvertier voor weermannen en zatte nonkels, maar geen spek voor de bek van de jeugd. Rijm rijmt slechts nog op slijm, behalve voor de rappers dan maar die doelgroep bereiken wij nooit. Die mensen hebben het nog druk met onsterfelijk wezen, ook al rijmen ze over doodslag en zelfvermorzeling.
Het rijm is meer dan een halve eeuw zelfs bij zijn scheppers in ongena gevallen, bij barden , dichters, bij de doodsprent. En daarmee verglijdt de algebra uit ons woord, de abracadabra uit het leven, de dans, de kadans, de ballade, de glose. Ja, googelt u maar eens naar de glose en lieve mensen geloof toch niet alles wat u daar vindt.
Persoonlijk kan ik tien kaskrakers smetteloos uit het hoofd debiteren waaronder de bloedworst van JH SPeenhoff. Ik kan u verzekeren dat zoiets zonder rijm nooit lukt. Als iemand van u die geen savant sauvage is een rijmloos gedicht van zes strofen over een bloedworst kan opzeggen, gelieve u kenbaar te maken bij onze Stichting. Wij staan open voor wetenschappelijk onderzoek. Strofen, nog zoiets, zij worden even schaars als, ja als wat? Als schaarse dingen zoals kledingstukken die tien jaar meegaan in de bontwas op 60° bijvoorbeeld.
Deze tien simpele gedichten hebben mijn gedachten gestuurd omdat ze kant en klaar in mijn hoofd zaten. Waar ze zonder rijm nooit hadden gezeten, je hebt niet altijd je Komrij bij de hand. Ik heb daar nog geen seconde spijt van gekregen Zij hebben mij behoed voor overmoed en ijdelheid, mij met meligheid voorbereid op eindigheid, mededogen bij me ingeprent, relativiteit en luchtigheid. En dit alles zonder god.
Wanneer mijn moeder een gedicht opzegt heeft ze geen soundtrack vandoen om een traan in mijn oog te schieten, dan is ze van zichzelf al Il Postino genoeg.
Hoe doet ze dat toch vraag ik me dan af, zo zonder de juiste belichting of achtergrondviolen mij doen vluchten naar de keuken opdat ze mijn rooie ogen niet zou zien.
Het ligt natuurlijk aan haar timbre en haar timing. Zij doet het bijvoorbeeld terwijl ze de koffie schenkt, of terwijl zij ’s avonds in de zetel het kruiswoordraadsel van de dag oplost.
Maar het ligt ook aan het rijm dat metrum in de dingen brengt, dat zegt zo is het en niet anders, zo wetmatig is ons lot, of je nu bloedworst bent, radijs of mens. Zonder rijm had ook moeder die gedichten nooit onthouden. Daar gaat het om bij onze Stichting. Dat er toch iets in het leven zit dat niet teloor mag gaan, zoals de juke-box bijvoorbeeld of de autoped.
Daarom vragen wij u, bezoeker van onze eerste website: Behoud het rijm in uw leven.
Uw rijmen wordt het laatste woord dat van u nog wordt gesproken.
“Als ik mijn ogen toedoe, ben ik in Honolulu”, Reisgedicht van J.A. Deelder.
Meer moet dat niet zijn.
donderdag 21 augustus 2008
Vlinderwalsje
Als Laura danst
dan lacht de lucht
rond haar ranke benen
en zingt haar zijden jurkje mee
Als Laura danst
hoor je een vlucht
vlinders bijna wenen
van geluk op golven zonder zee
Als Laura danst
voel ik een zucht
lichtjes bij mijn tenen
dan zweef ik even als een fee
Voor Laura
dan lacht de lucht
rond haar ranke benen
en zingt haar zijden jurkje mee
Als Laura danst
hoor je een vlucht
vlinders bijna wenen
van geluk op golven zonder zee
Als Laura danst
voel ik een zucht
lichtjes bij mijn tenen
dan zweef ik even als een fee
Voor Laura
dinsdag 19 augustus 2008
Beste Meneer Soubry,
Ik ben het, Carlo, de Italiaan die al dertig jaar uw Belgische pasta eet voor de puntjes, niet voor de pasta. Die van mama was veel lekkerder maar daar kwamen geen puntjes bij voor mooie foto’s van schilderwerken van grote meesters. Ook die van Barillo was beter, er zaten meer eieren in, en ik heb verleden week voor het eerst de hoorntjes van de witte producten geproefd bij mijn vriendin. Dat u daar nooit bent opgekomen om zulke hoorntjes te maken, en zo goedkoop. “Zitten er puntjes bij?”, vroeg ik haar en ze zei “amore, als er puntjes bijzaten dan had ik ze jou allang gegeven”. Eerst dacht ik nog dat ze een minnaar had, ’t was de eerste keer in vier jaar dat ze geen Soubry kocht. Maar haar saus was weer even verrukkelijk. Ik dacht, een vrouw met een minnaar maakt zo geen saus voor haar vent, ’t was gewoon een behoefte om eens van merk te veranderen. En eerlijk gezegd was ik daar blij om. Want zeg nu zelf meneer Soubry, uw aanbod is toch een beetje beperkt en uw tagliatelli lijken meer op verkapte linguini, uw farfalle hebben wel de Italiaanse kleurtjes maar een veel te lange kooktijd en de radiatori meneer, waar blijven die?
Vanavond zei ze aan tafel: “Caro mio, er is iets wat ik je moet vertellen”…
“Daar heb je hem, de minnaar”, dacht ik, maar ik bleef glimlachen.
“Soubry stopt met de puntjes. Er stond een artikel in de krant. Puntjes zijn uit de mode. Iedereen googelt enzo, en er zijn al zoveel kunstboeken op de markt. Niemand wil nog prentjes plakken”.
“En ik dan?” .
“Je bent waarschijnlijk de enige die het nog doet”.
“Mijn broer, mijn zus, en jij cara mia, je moeder, je tante, jullie hebben allemaal meegespaard. Na dertig jaar Soubry pasta vreten zit ik nog niet eens aan Velasquez!”.
Ze zei: "Ik weet het schat, ik weet het. Maar eet jij maar rustig je hoorntjes op en morgen maak ik echte lasagna klaar, van verse bloem en eitjes van de kip”.
Vanavond zei ze aan tafel: “Caro mio, er is iets wat ik je moet vertellen”…
“Daar heb je hem, de minnaar”, dacht ik, maar ik bleef glimlachen.
“Soubry stopt met de puntjes. Er stond een artikel in de krant. Puntjes zijn uit de mode. Iedereen googelt enzo, en er zijn al zoveel kunstboeken op de markt. Niemand wil nog prentjes plakken”.
“En ik dan?” .
“Je bent waarschijnlijk de enige die het nog doet”.
“Mijn broer, mijn zus, en jij cara mia, je moeder, je tante, jullie hebben allemaal meegespaard. Na dertig jaar Soubry pasta vreten zit ik nog niet eens aan Velasquez!”.
Ze zei: "Ik weet het schat, ik weet het. Maar eet jij maar rustig je hoorntjes op en morgen maak ik echte lasagna klaar, van verse bloem en eitjes van de kip”.
zondag 17 augustus 2008
Goelag Goelash
Gedichtje uit 1979
Wij moeten een poëtisch front oprichten, ‘t is de hoogste tijd. Wij moeten woorden in koppen slaan die blijven hangen tot in het parlement.
Wij moeten stoppen met de dichter uit te hangen, staat mijn komma wel goed, komt mijn trema tot uiting, hangt mijn metafoortje niet scheef?
Maar eerst moeten wij ons rijbewijs nog halen, ons diploma, ons bewijs van goed gedrag en zeden handhaven. Een huis vinden en geld verdienen om een voorraadje te sprokkelen bij de wijnhandelaar. Tegen de nieuwe revolutie, waarin dichters misschien zelf hun druiven moeten persen en druivenpersers dichters zijn.
Wij moeten een poëtisch front oprichten, ‘t is de hoogste tijd. Wij moeten woorden in koppen slaan die blijven hangen tot in het parlement.
Wij moeten stoppen met de dichter uit te hangen, staat mijn komma wel goed, komt mijn trema tot uiting, hangt mijn metafoortje niet scheef?
Maar eerst moeten wij ons rijbewijs nog halen, ons diploma, ons bewijs van goed gedrag en zeden handhaven. Een huis vinden en geld verdienen om een voorraadje te sprokkelen bij de wijnhandelaar. Tegen de nieuwe revolutie, waarin dichters misschien zelf hun druiven moeten persen en druivenpersers dichters zijn.
vrijdag 15 augustus 2008
Een vriendin van Kafka
“‘t Is nu welletjes geweest met al die brieven in mijn bus te dumpen”.
Dat zei ik tegen de deurwaarder terwijl ik de deur op een kier hield en zijn korte handlanger er zijn linkervoet tussen stak. Zijn rechter zat al in ’t gips en zijn neus stond scheef. Er stond ook een politieman bij die dringend slaap nodig had. Maar ik was een makkelijke klus. Een fluitje van een cent. Een meisje dat een kwarteeuw geleden haar universitair inschrijvingsgeld niet had betaald.
Ze strompelden binnen, doolden wat rond in mijn nederige woonst en de deurwaarder ging zomaar aan mijn ontbijttafel zitten met een laptop. Hij noteerde luidop wat hij allemaal had gezien:
“Ik zag een antieke stereo instalatie, ik telde zes boekenrekken met boeken, ongeveer een ton papier dus. Ik zag een ontstemde buffetpiano van het merk Bechstein, een microgolfoven van Siemens, een mixer van Bauknecht, en een computer van Aldi. Heeft u daar nog iets aan toe te voegen qua bezit van waarde?”.
“Meneer, dit is pure Kafka”, riep ik maar niemand begreep mij. De kleine man probeerde met een potlood onder zijn gips te krabben en de politieman hield mijn croissant in de gaten.
“U kan een advocaat bellen maar wij raden u aan om het inschrijvingsgeld plus intrest en gerechtskost binnen drie dagen te betalen. Dan bent u er met 2.500 euro vanaf”.
“Het is twintig jaar geleden meneer, ik heb die studies nooit gedaan. Toen ik de eerste dag in die aula kwam dacht ik: god moet ik het vier jaar uithouden tussen die snotneuzen? Die ernst meneer de deurwaarder, en dan dat Chinees dat zo lelijk klinkt, die éénlettergreperigheid. Mijn oren verdragen veel menselijke dialecten, Zwalms, Engels, Frans, Grieks, Russisch, zelfs Duits als het moet. Twee maand heb ik het volgehouden. Ya ming yü shu shang. Maar bij het Japans ging ik helemaal door het lint. Probeert u maar iets liefs te zeggen in het Japans. En dan was er die professor die mij één van zijn bijzondere studentes vond en mij op zijn bureau heeft gepakt. Hoe kon ik bij zo’n man nog examen afleggen? Hij gaf drie hoofdvakken meneer”.
“Dat is niet mijn zaak. U heeft zich twintig jaar geleden ingeschreven en niet betaald, dat is alles wat wij weten. U heeft toen tien brieven gekregen en de afgelopen weken vijf waarvan twee aangetekend. U heeft niet gereageerd. U heeft geen been om op te staan”.
Ik had er totaal geen zin in maar ik had ook geen 2.500 euro dus ik ging naar een advocaat. Een pro deo die op woensdagmorgen in het gerechtshof zit. Hij zei:
“ U heeft natuurlijk geen been om op te staan. U heeft twintig jaar geleden een handtekening gezet. Maar komt u vanavond eens naar mijn bureau. We vinden wel een achterpoortje”.
Dat zei ik tegen de deurwaarder terwijl ik de deur op een kier hield en zijn korte handlanger er zijn linkervoet tussen stak. Zijn rechter zat al in ’t gips en zijn neus stond scheef. Er stond ook een politieman bij die dringend slaap nodig had. Maar ik was een makkelijke klus. Een fluitje van een cent. Een meisje dat een kwarteeuw geleden haar universitair inschrijvingsgeld niet had betaald.
Ze strompelden binnen, doolden wat rond in mijn nederige woonst en de deurwaarder ging zomaar aan mijn ontbijttafel zitten met een laptop. Hij noteerde luidop wat hij allemaal had gezien:
“Ik zag een antieke stereo instalatie, ik telde zes boekenrekken met boeken, ongeveer een ton papier dus. Ik zag een ontstemde buffetpiano van het merk Bechstein, een microgolfoven van Siemens, een mixer van Bauknecht, en een computer van Aldi. Heeft u daar nog iets aan toe te voegen qua bezit van waarde?”.
“Meneer, dit is pure Kafka”, riep ik maar niemand begreep mij. De kleine man probeerde met een potlood onder zijn gips te krabben en de politieman hield mijn croissant in de gaten.
“U kan een advocaat bellen maar wij raden u aan om het inschrijvingsgeld plus intrest en gerechtskost binnen drie dagen te betalen. Dan bent u er met 2.500 euro vanaf”.
“Het is twintig jaar geleden meneer, ik heb die studies nooit gedaan. Toen ik de eerste dag in die aula kwam dacht ik: god moet ik het vier jaar uithouden tussen die snotneuzen? Die ernst meneer de deurwaarder, en dan dat Chinees dat zo lelijk klinkt, die éénlettergreperigheid. Mijn oren verdragen veel menselijke dialecten, Zwalms, Engels, Frans, Grieks, Russisch, zelfs Duits als het moet. Twee maand heb ik het volgehouden. Ya ming yü shu shang. Maar bij het Japans ging ik helemaal door het lint. Probeert u maar iets liefs te zeggen in het Japans. En dan was er die professor die mij één van zijn bijzondere studentes vond en mij op zijn bureau heeft gepakt. Hoe kon ik bij zo’n man nog examen afleggen? Hij gaf drie hoofdvakken meneer”.
“Dat is niet mijn zaak. U heeft zich twintig jaar geleden ingeschreven en niet betaald, dat is alles wat wij weten. U heeft toen tien brieven gekregen en de afgelopen weken vijf waarvan twee aangetekend. U heeft niet gereageerd. U heeft geen been om op te staan”.
Ik had er totaal geen zin in maar ik had ook geen 2.500 euro dus ik ging naar een advocaat. Een pro deo die op woensdagmorgen in het gerechtshof zit. Hij zei:
“ U heeft natuurlijk geen been om op te staan. U heeft twintig jaar geleden een handtekening gezet. Maar komt u vanavond eens naar mijn bureau. We vinden wel een achterpoortje”.
dinsdag 12 augustus 2008
Broodje gezond
Langs de baan naar Den Haan staat een sandwichbar waar Jan en Rita broodjes smeren. Met préparé en beleg van noordzeegarnalen of van krab die in een blikje zwom.
Ze zijn getattoueerd en jong, nog wat onbeholpen in de sandwichbusiness maar met een glimlach en een praatje voor iedere klant. Er hangt een klok die je beter niet in de gaten houdt, je moet er effe zen kunnen wezen voor je weer in de file kruipt. Maar je krijgt er warmte voor je geduld en het gulste broodje van het land. Je kan er weer tegen.
Rita smeert zonder berekening, ze legt het er graag dik op, en Jan bouwt er krakende blaadjes sla bovenop, schijfjes tomaat en krokante komkommer, knaloranje wortelsliertjes die hij uit bijzondere bewaardoosjes haalt. Eerst laat hij met een knop de lucht in zo’n doosje dat hij na gebruik met dezelfde knop weer vacuüm pompt.
Iedere klant voelt dezelfde haha voor dit versheidsvernuft. En Jan verklaart telkens met hernieuwde bravoure haarfijn hoe het werkt. De doosjes blijken evenveel tover als de piramiden te hebben. Ze houden sla voor een maand eeuwig groen en schijfjes tomaat succulent. Jan heeft met eigen mond de verrassende versheid geproefd van twee maand oude préparé. Een experiment dat hij in zijn bar niet wil herhalen en wij geloven hem graag.
Ze zijn getattoueerd en jong, nog wat onbeholpen in de sandwichbusiness maar met een glimlach en een praatje voor iedere klant. Er hangt een klok die je beter niet in de gaten houdt, je moet er effe zen kunnen wezen voor je weer in de file kruipt. Maar je krijgt er warmte voor je geduld en het gulste broodje van het land. Je kan er weer tegen.
Rita smeert zonder berekening, ze legt het er graag dik op, en Jan bouwt er krakende blaadjes sla bovenop, schijfjes tomaat en krokante komkommer, knaloranje wortelsliertjes die hij uit bijzondere bewaardoosjes haalt. Eerst laat hij met een knop de lucht in zo’n doosje dat hij na gebruik met dezelfde knop weer vacuüm pompt.
Iedere klant voelt dezelfde haha voor dit versheidsvernuft. En Jan verklaart telkens met hernieuwde bravoure haarfijn hoe het werkt. De doosjes blijken evenveel tover als de piramiden te hebben. Ze houden sla voor een maand eeuwig groen en schijfjes tomaat succulent. Jan heeft met eigen mond de verrassende versheid geproefd van twee maand oude préparé. Een experiment dat hij in zijn bar niet wil herhalen en wij geloven hem graag.
“Hadden we allemaal maar zo’n doosje om ’s nachts in te slapen” zeg ik iedere keer, waarop Rita dan zucht:
“ ’t Probleem is in ’t leven dat we geen groensels zijn, we moeten nog asemen”.
“Ik sta hier toch al flink wortel te schieten”, denk ik dan weer.
zondag 10 augustus 2008
Forever blowing bubbles
Een toevallige zeepbel kom je zelden tegen. Je wekt haar met eigen adem tot leven en met vloeibare zeep. Soms lukt het zelfs met speeksel maar dan is het geen zeepbel meer en sterft ze al tegen de punt van je neus.
Wat is dat toch met de zeepbel dat ze ons zo dromen doet? Je volgt haar parcours door de lucht en hoe zij de dingen weerspiegelt en licht met zich meeneemt. Ze maakt je weer klein, zo klein dat je door haar gedragen wil worden. Je wenst haar de hemel toe maar voor je het weet botst ze tegen een stofje aan en …’Spat’! Een zeepbel verdraagt geen materie. Haar bestaan is te intens om te duren, haar levensvlies te futiel.
In het zeepbellenconcours was ik altijd de laagste scoorder. ’t Ging altijd om ter grootst, om ’t er dikst, om ter langst. Een kind doet veel om bij de groep te horen.
Terwijl de perfecte zeepbel die was die de verste droom in zich droeg.
Wat is dat toch met de zeepbel dat ze ons zo dromen doet? Je volgt haar parcours door de lucht en hoe zij de dingen weerspiegelt en licht met zich meeneemt. Ze maakt je weer klein, zo klein dat je door haar gedragen wil worden. Je wenst haar de hemel toe maar voor je het weet botst ze tegen een stofje aan en …’Spat’! Een zeepbel verdraagt geen materie. Haar bestaan is te intens om te duren, haar levensvlies te futiel.
In het zeepbellenconcours was ik altijd de laagste scoorder. ’t Ging altijd om ter grootst, om ’t er dikst, om ter langst. Een kind doet veel om bij de groep te horen.
Terwijl de perfecte zeepbel die was die de verste droom in zich droeg.
woensdag 6 augustus 2008
Absolute Volga
Eerst was hij bleekblauw, een Stalin in een baby doll. Hij zag er niet uit, daarom hebben we hem in ’t zwart gezet. Daarmee steeg hij wel in allure maar niet in vinnigheid. Hij was de slak van het wegdek, hij trok trager op dan een Vespa en ging met tegenzin hoger dan honderd, de Volga van papa. Hij brulde als een oorlogstank en dat had één voordeel. Je kon hem van ver horen komen als je met een jongen bij het parochiehuis na school te kussen stond.
Papa was de slimste mens ter wereld, hij is dat nog steeds maar vroeger wist ik het niet.
Een levende encyclopedie van honderd-en één volumes past niet in Italiaanse of Japanse modellen. Papa rekende vooral op veiligheid, in staalplaat en tact. Hij tufte er zijn dagelijkse calvarie mee naar het werk, de Volga was zijn enige vehikel om tegenstrooms te gaan. Zijn kleine verzet, zijn slow motion in versnellingstijd. Zijn bunker van allenigheid.
En nu is hij old-timer geworden, er zijn er nog drie van in België, nieuwe Russen bieden ons grof geld voor zijn karkas.
Maar ik zeg njet, daar komt niks van. Zolang ik leef, zolang ik kan, voor geen miljoen wordt de Volga verkocht. Dit stalen stukje ziel blijft intact. We gaan er op zondag trage toertjes mee rijden, hem in de lommerte parkeren van een behoedzame boom. Hem met open deuren laten kijken hoe wij het laken over de weide spreiden, de pick-nickmand openen en ons tussen dazen en teken toch geborgen weten.
Papa was de slimste mens ter wereld, hij is dat nog steeds maar vroeger wist ik het niet.
Een levende encyclopedie van honderd-en één volumes past niet in Italiaanse of Japanse modellen. Papa rekende vooral op veiligheid, in staalplaat en tact. Hij tufte er zijn dagelijkse calvarie mee naar het werk, de Volga was zijn enige vehikel om tegenstrooms te gaan. Zijn kleine verzet, zijn slow motion in versnellingstijd. Zijn bunker van allenigheid.
En nu is hij old-timer geworden, er zijn er nog drie van in België, nieuwe Russen bieden ons grof geld voor zijn karkas.
Maar ik zeg njet, daar komt niks van. Zolang ik leef, zolang ik kan, voor geen miljoen wordt de Volga verkocht. Dit stalen stukje ziel blijft intact. We gaan er op zondag trage toertjes mee rijden, hem in de lommerte parkeren van een behoedzame boom. Hem met open deuren laten kijken hoe wij het laken over de weide spreiden, de pick-nickmand openen en ons tussen dazen en teken toch geborgen weten.
maandag 4 augustus 2008
Experiment
Hoelang dobbert een boek op zee,
zinkt het woord voor woord
spoelt het in Jutland aan,
vlot voor vermoeide meeuwen
schaduw voor een verweesde schol,
knabbelen krabben graag aan letters,
kneden golven gedachten van papier
tot ziltig tranendeeg,
likken tongen traag aan titels
zakt gramschap tot de bodem,
kolkt poëzie tot schuim,
literatuur tot alg
worden verhalen koralen,
gaat pulp naar de haaien?
zinkt het woord voor woord
spoelt het in Jutland aan,
vlot voor vermoeide meeuwen
schaduw voor een verweesde schol,
knabbelen krabben graag aan letters,
kneden golven gedachten van papier
tot ziltig tranendeeg,
likken tongen traag aan titels
zakt gramschap tot de bodem,
kolkt poëzie tot schuim,
literatuur tot alg
worden verhalen koralen,
gaat pulp naar de haaien?
donderdag 31 juli 2008
Café De Wachtzaal
Soms word ik zo moe van niet te weten wat het leven is. Ik weet dat het slechts een droom is, een dwarreling, een dwaling en dat wij bange schaduwen zijn, ter dood veroordeelden die met z’n allen spelen dat de executie nooit komt. Dat is alles wat ik weet. Maar ik blijf altijd hopen dat ik fout ben.
“Wordt u daar ook soms zo moe van, van niet te weten wat het leven is?”, vroeg ik aan de man aan de toog.
Ik stelde die vraag omdat hij er uitzag als iemand die met rust gelaten wilde worden, een beetje als ik. Maar als je met rust gelaten wil worden ga je beter niet aan de toog zitten.
“Hoe bedoelt u?”, vroeg hij na een korte pauze.
“Ik bedoel dat je nog in zoveel koffiedik mag kijken als je wil, in handpalmen, telescopen of dromen, maar dat je nooit weet of je de morgen nog haalt. En van je geliefden weet je ’t ook niet. Dat is nog het vermoeiendst van al”.
“Drinkt u iets?” vroeg hij.
“Dank u, liever niet, ik zit op een lift te wachten en heb mijn koffie nog niet op. Ik wou gewoon weten of u daar ook moe van wordt. Ik wel ziet u. Het komt met vlagen maar het mat af”.
“Ik heb ook van die vlagen, zei hij, maar waar ik echt moe van wordt dat is van wat het leven wél is. Toen mijn zoon geboren werd, wist ik dat hij niet van mij was. Maar dat kind wàs er en ik was zot van mijn vrouw. Ik heb altijd gedaan alsof hij van mij was, vijftien jaar komedie. Vanmorgen zei hij dat ik een vorte klootzak ben. ’t Ging om een onnozelheid, iets over nieuwe sportschoenen. Maar hij zei het met zoveel haat, het kwam van diep”.
“Ach, pubers, hij weet niet eens wat hij zegt”.
“Maar dat is het juist, riep de man, dat je wéét wat er gaat komen. Na de apenstreken komen de meisjes en na de meisjes de kinderen en dan begint het spel weer van vooraf aan. De pampers, het speelgoed, de leningen, de leugen. Terwijl ik liefst van al alleen in een hutje zou zitten, maar mijn enige hut is dit café”.
Toen kwam mijn lift eraan en wij zegden dank u voor het gesprek en tot ziens.
“Wordt u daar ook soms zo moe van, van niet te weten wat het leven is?”, vroeg ik aan de man aan de toog.
Ik stelde die vraag omdat hij er uitzag als iemand die met rust gelaten wilde worden, een beetje als ik. Maar als je met rust gelaten wil worden ga je beter niet aan de toog zitten.
“Hoe bedoelt u?”, vroeg hij na een korte pauze.
“Ik bedoel dat je nog in zoveel koffiedik mag kijken als je wil, in handpalmen, telescopen of dromen, maar dat je nooit weet of je de morgen nog haalt. En van je geliefden weet je ’t ook niet. Dat is nog het vermoeiendst van al”.
“Drinkt u iets?” vroeg hij.
“Dank u, liever niet, ik zit op een lift te wachten en heb mijn koffie nog niet op. Ik wou gewoon weten of u daar ook moe van wordt. Ik wel ziet u. Het komt met vlagen maar het mat af”.
“Ik heb ook van die vlagen, zei hij, maar waar ik echt moe van wordt dat is van wat het leven wél is. Toen mijn zoon geboren werd, wist ik dat hij niet van mij was. Maar dat kind wàs er en ik was zot van mijn vrouw. Ik heb altijd gedaan alsof hij van mij was, vijftien jaar komedie. Vanmorgen zei hij dat ik een vorte klootzak ben. ’t Ging om een onnozelheid, iets over nieuwe sportschoenen. Maar hij zei het met zoveel haat, het kwam van diep”.
“Ach, pubers, hij weet niet eens wat hij zegt”.
“Maar dat is het juist, riep de man, dat je wéét wat er gaat komen. Na de apenstreken komen de meisjes en na de meisjes de kinderen en dan begint het spel weer van vooraf aan. De pampers, het speelgoed, de leningen, de leugen. Terwijl ik liefst van al alleen in een hutje zou zitten, maar mijn enige hut is dit café”.
Toen kwam mijn lift eraan en wij zegden dank u voor het gesprek en tot ziens.
maandag 28 juli 2008
Nothing compares to U
Gentse Fieste en ik liet me met de volkslava door de straten spuien. Tussen drie levende standbeelden stond een menselijke biljartbal te jumpen op klavecimbelmuziek. Ik stond erbij en ik keek ernaar en hij kwam op me af gejumpt.
“Kom hier schat, ken je me niet meer, ik ben het, Miranda!”.
In de lagere school had ik met Miranda nog eenzelfde bank moeten delen. Toen we twaalf waren liepen onze wegen onherroepelijk uiteen maar ik bleef haar op het lijf lopen. Het leven is een merkwaardige routeplanner.
“Kom hier schat, ken je me niet meer, ik ben het, Miranda!”.
In de lagere school had ik met Miranda nog eenzelfde bank moeten delen. Toen we twaalf waren liepen onze wegen onherroepelijk uiteen maar ik bleef haar op het lijf lopen. Het leven is een merkwaardige routeplanner.
Ze omhelsde me vurig en kuste me als een puppy, iets te hartelijk voor iemand die ooit kauwgom in mijn haar plakte. Sommige dingen blijven zeer doen.
“Ge zijt nog geen haar veranderd”, kirde ze
“Dat kan ik van u niet direct zeggen”, lachte ik en streelde teder over haar bezwete kaalkopje. Want ik dacht nog, misschien krijgt ze chemo. Kaalhoofdigheid is allang geen mannelijk privilege meer, ze hangt ons allemaal boven het hoofd.
“Cool hé, zei ze, mijn vriend heeft mijn haar afgeschoren. Hij vindt dat ik op Sinéad o Connor lijk, wij zijn hevige fans van Sinéad”.
Ik was eventjes sprakeloos maar ik dacht, so what, ik ben wel fan van Bach en die is nog veel langer uit de mode.
“Kom we gaan Duvels drinken”, zei ze en sleurde me mee naar een heavy metal terras.
“Ik heb hier met mijn vriend afgesproken , zo kunt ge hem eens zien, hij is keiknap”.
Haar vriend kwam niet opdagen en mijn oren stonden op de rand van het springen. Ik nam afscheid van Miranda die al jumpend des duivelse liters binnen kapte.
Bij zonsopgang zag ik haar op Sint-Jacobs zwalpen. Haar ogen stonden raar. Ze was haar portefeuille kwijt en had haar vriend zien tongzoenen met een vrouw met haar tot op haar getattoueerde bilnaad. Hij was waarschijnlijk van fanclub veranderd. Miranda had een pilletje genomen om het leven rose te blijven zien. Ze zag krijtwit en lalde bizar. Uit haar mond kwam iets dat op schuim leek maar dat geen bierschuim was. Ze jumpte niet meer, ze shakete.
Ik hijste haar in een taxi waar drie verplegers haar moesten uittakelen. Nog voor de dichtst bijzijnde kliniek had zij de parallelle wereld al bereikt.
“Wat heeft uw vriend geslikt, vroeg een dokter, wat is zijn familienaam en mutualiteit?”.
“Miranda”, was al wat ik kon zeggen.
Ik legde mijn telefoonnummer op haar kopkussen en een kus op haar bolletje.
“Ge zijt nog geen haar veranderd”, kirde ze
“Dat kan ik van u niet direct zeggen”, lachte ik en streelde teder over haar bezwete kaalkopje. Want ik dacht nog, misschien krijgt ze chemo. Kaalhoofdigheid is allang geen mannelijk privilege meer, ze hangt ons allemaal boven het hoofd.
“Cool hé, zei ze, mijn vriend heeft mijn haar afgeschoren. Hij vindt dat ik op Sinéad o Connor lijk, wij zijn hevige fans van Sinéad”.
Ik was eventjes sprakeloos maar ik dacht, so what, ik ben wel fan van Bach en die is nog veel langer uit de mode.
“Kom we gaan Duvels drinken”, zei ze en sleurde me mee naar een heavy metal terras.
“Ik heb hier met mijn vriend afgesproken , zo kunt ge hem eens zien, hij is keiknap”.
Haar vriend kwam niet opdagen en mijn oren stonden op de rand van het springen. Ik nam afscheid van Miranda die al jumpend des duivelse liters binnen kapte.
Bij zonsopgang zag ik haar op Sint-Jacobs zwalpen. Haar ogen stonden raar. Ze was haar portefeuille kwijt en had haar vriend zien tongzoenen met een vrouw met haar tot op haar getattoueerde bilnaad. Hij was waarschijnlijk van fanclub veranderd. Miranda had een pilletje genomen om het leven rose te blijven zien. Ze zag krijtwit en lalde bizar. Uit haar mond kwam iets dat op schuim leek maar dat geen bierschuim was. Ze jumpte niet meer, ze shakete.
Ik hijste haar in een taxi waar drie verplegers haar moesten uittakelen. Nog voor de dichtst bijzijnde kliniek had zij de parallelle wereld al bereikt.
“Wat heeft uw vriend geslikt, vroeg een dokter, wat is zijn familienaam en mutualiteit?”.
“Miranda”, was al wat ik kon zeggen.
Ik legde mijn telefoonnummer op haar kopkussen en een kus op haar bolletje.
Ik heb haar nooit nog gehoord of gezien.
.
.
zaterdag 26 juli 2008
Drastisch démarreren
Verleden week is het pakje gearriveerd dat ik in China had besteld. Eindelijk, ik heb er zes maand op gewacht. Er zitten geheime kruiden in voor thee waar je langer van leeft. Men mag er slechts één kopje per dag van drinken, in kleine slokjes verdeeld over de dag. Men wordt er ook knapper van, sneller van geest. Tsjang Won Ping werd er zo oud en wijs van dat hij zich op zijn tweehonderdste verjaardag verhing. ’t Was welletjes geweest met theedrinken.
Ik zette meteen een ganse pot en dronk hem leeg, in kleine kopjes verdeeld over de dag. Met lang leven kan je niet drastisch genoeg beginnen. De eerste dagen gebeurde er niets, behalve dat ik vaker moest plassen maar of dat nu een teken van jeugd is?
Gisteren gebeurde het. Ik voelde het al toen ik opstond. Ik was slimmer geworden. Nog voor ik de rolluiken optrok wist ik, dit wordt een dag vol gedonder. En zo geschiedde. In ons dorp is zelfs een huis uitgebliksemd. De boeren waren wel content met al die regen na de droogte.
Maar ook in mijn kop kwam er gedonder. Ik hoorde een stem die zei:
“Wat zit je hier eigenlijk te doen, meisje met je blogje. Sigaretjes te roken en woordjes te typen die niemand leest. Alleen je beste vrienden dan maar die weten toch al wie je bent”.
Ik ging plassen. Maar zelfs op de pot wou de stem niet zwijgen.
“Zou je niet beter eens iets nuttigs typen, zei ze, iets waar de mensheid echt wat aan heeft?"
“Waar heeft de mensheid echt wat aan?” vroeg ik.
“Aan sport bijvoorbeeld. Je hoort toch hoe stil het is in de straat. Ze zitten allemaal naar de koers te kijken”.
Ik zette de televisie aan en zag veel mannen fietsen op zeven kanalen. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit, daarom droegen ze een nummer. Ze hadden daar ook een stem die riep:
“Kijk mensen, kijk dat toch eens aan, hij richt die gespierde billen uit het zadel Hij gaat eindelijk démarreren. Gaat hij démarreren? Néén. Hij démarreert niet, hij zet zich weer neer. Jammer, een gemiste kans”.
En toen, toen wist ik het. Na een leven van onbezoldigd aanmodderen met woorden wist ik het. Ik word sportjournalist. Want wat is er makkelijker dan gewoon te zeggen wat je ziet?
En ik zou eindelijk eens aan iemand kunnen vragen:
“Je gespierde billen uit het zadel lichten en weer gaan zitten terwijl je een gedroomde kans krijgt om te démarreren. Waarom? Moest je een scheet laten misschien?”.
Ik zette meteen een ganse pot en dronk hem leeg, in kleine kopjes verdeeld over de dag. Met lang leven kan je niet drastisch genoeg beginnen. De eerste dagen gebeurde er niets, behalve dat ik vaker moest plassen maar of dat nu een teken van jeugd is?
Gisteren gebeurde het. Ik voelde het al toen ik opstond. Ik was slimmer geworden. Nog voor ik de rolluiken optrok wist ik, dit wordt een dag vol gedonder. En zo geschiedde. In ons dorp is zelfs een huis uitgebliksemd. De boeren waren wel content met al die regen na de droogte.
Maar ook in mijn kop kwam er gedonder. Ik hoorde een stem die zei:
“Wat zit je hier eigenlijk te doen, meisje met je blogje. Sigaretjes te roken en woordjes te typen die niemand leest. Alleen je beste vrienden dan maar die weten toch al wie je bent”.
Ik ging plassen. Maar zelfs op de pot wou de stem niet zwijgen.
“Zou je niet beter eens iets nuttigs typen, zei ze, iets waar de mensheid echt wat aan heeft?"
“Waar heeft de mensheid echt wat aan?” vroeg ik.
“Aan sport bijvoorbeeld. Je hoort toch hoe stil het is in de straat. Ze zitten allemaal naar de koers te kijken”.
Ik zette de televisie aan en zag veel mannen fietsen op zeven kanalen. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit, daarom droegen ze een nummer. Ze hadden daar ook een stem die riep:
“Kijk mensen, kijk dat toch eens aan, hij richt die gespierde billen uit het zadel Hij gaat eindelijk démarreren. Gaat hij démarreren? Néén. Hij démarreert niet, hij zet zich weer neer. Jammer, een gemiste kans”.
En toen, toen wist ik het. Na een leven van onbezoldigd aanmodderen met woorden wist ik het. Ik word sportjournalist. Want wat is er makkelijker dan gewoon te zeggen wat je ziet?
En ik zou eindelijk eens aan iemand kunnen vragen:
“Je gespierde billen uit het zadel lichten en weer gaan zitten terwijl je een gedroomde kans krijgt om te démarreren. Waarom? Moest je een scheet laten misschien?”.
donderdag 24 juli 2008
Dag zee en tot ziens!
Aan het Noordzeestrand ligt veel zand om in te spelen, schelpjes en prullaria om kastelen te versieren. Er zijn duinen om in te schuilen voor de blikken van de mens, om je broek in af te steken en je gat te tonen aan de hemel. Je kan er heerlijk naar beneden rollen en weer boven klimmen, een beetje gelijk Sysifus maar dan zonder straf of pijn. Het zand aan het Noordzeestrand is pijnloos en schokvrij.
Er zijn wel een paar zaken waar je beter niet intrapt. Glasscherven bijvoorbeeld, kwallen, roeste ijzers, pek en stront. Maar zo is het leven, dat je altijd een beetje moet zien waar je je stappen zet. Je kan ook lekker risicoloos blijven liggen natuurlijk, als een walrus soezen in de zon. Maar je kan ook dartel langs de branding rennen, ongeremde kilometers, zover het van het baasje mag.
Als ze goed geluimd is, laat de zee je door haar golven klieven, zonder kieuwen, zonder staart. Ze wiegt je zachtjes heen en weer, ze onttrekt je aan de zwaartekracht zoals goed geluimde moeders doen.
En het mooist van al dat is haar tij. Je weet dat het van de maan komt maar de maan is nergens te bespeuren. Je denkt, het is de zee die onze sandwich op wil eten en je vergeeft het haar.
Er zijn wel een paar zaken waar je beter niet intrapt. Glasscherven bijvoorbeeld, kwallen, roeste ijzers, pek en stront. Maar zo is het leven, dat je altijd een beetje moet zien waar je je stappen zet. Je kan ook lekker risicoloos blijven liggen natuurlijk, als een walrus soezen in de zon. Maar je kan ook dartel langs de branding rennen, ongeremde kilometers, zover het van het baasje mag.
Als ze goed geluimd is, laat de zee je door haar golven klieven, zonder kieuwen, zonder staart. Ze wiegt je zachtjes heen en weer, ze onttrekt je aan de zwaartekracht zoals goed geluimde moeders doen.
En het mooist van al dat is haar tij. Je weet dat het van de maan komt maar de maan is nergens te bespeuren. Je denkt, het is de zee die onze sandwich op wil eten en je vergeeft het haar.
Je vergeeft haar alles, je bent eindeloos dankbaar want ze geeft je iets wat je op het land totaal verloren was.
woensdag 23 juli 2008
Kabouter Blog
Hij komt al in geen eeuwigheid meer, de kabouter aan het voeteind van mijn bed. Toen de eerste reus in mijn leven en mijn bed verscheen zei hij, ‘two is company, three is a crowd’. Hij sprak vloeiend Engels en kwam nooit meer terug.
Ik heb ze één voor één het bed uitgeschopt, die reuzen. Niets is lastiger dan de slaap af te wachten met een ronkende reus in je bed.
Lang geleden, echt heel erg lang geleden, stond ik met mijn opa bij de rabarberstruik. Ik deed dat graag, met opa bij de rabarber staan. Hij brak dan een stengel af, pelde de bast eraf en wachtte tot ik erin beet. En iedere keer zei hij: “Als ge zuur kijkt en de kerkklok slaat , blijft uw lief gezichteken altijd zo zuur staan. En dat zien de mannekes niet graag”.
“Hoe weet gij dat pépé?”, vroeg ik dan.
“Ik weet dat van de kabouter die onder de rabarber woont”
“Hoe ziet die kabouter eruit pépé?”
“Een beetje gelijk mij maar dan in ’t klein”
“Draagt hij ook een klak?”
“Een rooie, zei pépé, en hij sjiekt ook toebak”.
Iedere zomer hadden we hetzelfde gesprek bij de rabarberstruik, pépé en ik. Ons eigenste kleine moment.
Het is vandaag precies honderd vijfenvijftig jaar geleden dat hij nog rabarber voor mij plukte.
Ik ben nu honderd tachtig en heb miljoenen kilometers geleefd, in duizend bedden geslapen in honderd landen.
Ik kijk nog altijd onder de rabarberstruik en naar het voeteind van mijn bed.
Ik heb ze één voor één het bed uitgeschopt, die reuzen. Niets is lastiger dan de slaap af te wachten met een ronkende reus in je bed.
Lang geleden, echt heel erg lang geleden, stond ik met mijn opa bij de rabarberstruik. Ik deed dat graag, met opa bij de rabarber staan. Hij brak dan een stengel af, pelde de bast eraf en wachtte tot ik erin beet. En iedere keer zei hij: “Als ge zuur kijkt en de kerkklok slaat , blijft uw lief gezichteken altijd zo zuur staan. En dat zien de mannekes niet graag”.
“Hoe weet gij dat pépé?”, vroeg ik dan.
“Ik weet dat van de kabouter die onder de rabarber woont”
“Hoe ziet die kabouter eruit pépé?”
“Een beetje gelijk mij maar dan in ’t klein”
“Draagt hij ook een klak?”
“Een rooie, zei pépé, en hij sjiekt ook toebak”.
Iedere zomer hadden we hetzelfde gesprek bij de rabarberstruik, pépé en ik. Ons eigenste kleine moment.
Het is vandaag precies honderd vijfenvijftig jaar geleden dat hij nog rabarber voor mij plukte.
Ik ben nu honderd tachtig en heb miljoenen kilometers geleefd, in duizend bedden geslapen in honderd landen.
Ik kijk nog altijd onder de rabarberstruik en naar het voeteind van mijn bed.
maandag 21 juli 2008
Monsieur Cannibale
Vanmiddag werd er kordaat aan mijn deur geklopt. Goed volk, dacht ik want alleen vrienden onthouden dat mijn deurbel al acht jaar kapot is. Daarom durfde ik in pyjama opendoen. Vandaag was nationale feestag, een dag voor totale anarchie, een echte pyjamadag.
Voor mijn drempel stond een zwarte medemens in de motregen te glimlachen:
“N’ayez pas peur madame. Je ne vous mangerai pas”.
« Vous n’avez pas l’air d’un cannibale », lachte ik terug.
« Merci madame », zei hij met een grijns van begrip en keek nederig naar zijn schoenen.
Een wakkere Kongolees met intelligente oogopslag die op de Vlaamse boerenbuiten in het Frans met boekjes komt leuren om zijn studies te betalen. Faut le faire. Ik wilde mij meteen bij hem excuseren voor Leopold II, voor de missionarissen en voor Jef Geeraerts die negerinnentepels afsabbelden. Voor het kruis waarmee we hen opgezadeld hebben nadat we hun natuurgoden lynchten en in één adem ook de helft van hun bevolking. Voor de kwalijke reputatie die ze van ons kregen. Het beste middel om een volk eronder te krijgen is hen zwart te maken bij de publieke opinie. Er barbaren van maken, luiaards, menseneters. De Romeinen hebben het met de Kelten gedaan, de Spanjolen met de Inca’s, de Belgen met hen.
“J’achèterai bien un petit livre”, was het enige dat ik uit mijn strot kreeg.
Ik legde drie stukken van twee euro in zijn hand. Hij keek ernaar en lachte weer:
“Merci infiniment madame”. Hij boog drie keer onderdanig het hoofd, gelijk het negertje van de missiespaarpotjes uit mijn jeugd.
Het brak mijn hart.
Voor mijn drempel stond een zwarte medemens in de motregen te glimlachen:
“N’ayez pas peur madame. Je ne vous mangerai pas”.
« Vous n’avez pas l’air d’un cannibale », lachte ik terug.
« Merci madame », zei hij met een grijns van begrip en keek nederig naar zijn schoenen.
Een wakkere Kongolees met intelligente oogopslag die op de Vlaamse boerenbuiten in het Frans met boekjes komt leuren om zijn studies te betalen. Faut le faire. Ik wilde mij meteen bij hem excuseren voor Leopold II, voor de missionarissen en voor Jef Geeraerts die negerinnentepels afsabbelden. Voor het kruis waarmee we hen opgezadeld hebben nadat we hun natuurgoden lynchten en in één adem ook de helft van hun bevolking. Voor de kwalijke reputatie die ze van ons kregen. Het beste middel om een volk eronder te krijgen is hen zwart te maken bij de publieke opinie. Er barbaren van maken, luiaards, menseneters. De Romeinen hebben het met de Kelten gedaan, de Spanjolen met de Inca’s, de Belgen met hen.
“J’achèterai bien un petit livre”, was het enige dat ik uit mijn strot kreeg.
Ik legde drie stukken van twee euro in zijn hand. Hij keek ernaar en lachte weer:
“Merci infiniment madame”. Hij boog drie keer onderdanig het hoofd, gelijk het negertje van de missiespaarpotjes uit mijn jeugd.
Het brak mijn hart.
zondag 20 juli 2008
Kamer 226
Op het dansfeest voor de vrede liep een jongen die al meer geleefd had dan zijn jonge jaren. Hij was knap en maakte meer indruk dan het salsa orkest.
Zijn handdruk was warm en welgemeend, hij maakte met iedereen een praatje zonder onderscheid in geslacht of lelijkheidsgraad en liet tussendoor een meisje roteren rond haar as.
Hij was geen pirouettedraaier, hij sprak met weinig woorden en een kwinkslag in een directe lijn tot het hart. Zijn ogen hadden nog dat schalkse van een kleuter dat vrouwen doet smelten en dat van andere mannen gedoofde vulkanen maakt, houterige harken, zuilen van zout. Prozakkers. Toch stoorde hij hen niet, hij stoorde niemand, hij bracht niets dan schwung en het gevoel dat we minder banaal waren dan we dachten. Hij fladderde en raakte ons voor een seconde met zijn discrete vleugels aan. Hij deelde minuscule electroshockjes uit.
Ik sloeg hem van de zijlijn gade en verloor hem uit het oog. Plots stond hij naast me met een schetsboek en zei: “Kijk, deze tekeningen heb ik gemaakt”.
Ik keek terwijl hij bladerde en zag geen spatje kleur, alleen maar schetsen in zwarte inkt, zwarter dan zwart. Eerst leek het op een kladboek met doorstreepte probeersels tot er ineens een perfect portret te voorschijn kwam en op de laatste bladzijde een naakte slapende man met uit zijn buik een navelstreng die tot aan de bladrand reikte.
“Hier lig ik”, zei hij met zijn tanden bloot. “De man die opnieuw geboren wordt”.
Hij ging zijn boek aan iedereen tonen die kijken wou , bijna niemand weigerde want men had toch niets beters te doen. Het had ook niets opschepperigs, er was niks arty farty aan. Het leek doodnormaal dat een herboren mens zijn zelfportret kwam tonen, iedereen was er tevreden mee. Daarna maakte hij de meisjes weer gelukkig met zijn salsa pasjes en de jongens met zijn ad rems.
Wat een verrukkelijk wezen dacht ik, sans complexe en toch voornaam, goeie tekenaar, geestige danser, prettige prater, een gelukkig mens. Misschien dat genade op aarde toch bestaat?
Rond middernacht zag ik hem bij de biertent staan babbelen. De bandleader kondigde de laatste salsa aan. La última canzión.
Toen deed ik iets wat ik nog met geen enkele man had gedaan. Ik snelde naar hem toe, scharrelde naar zijn hand en trok hem weg uit zijn gesprek.
“Kom, we gaan dansen, ’t is de laatste dans”.
Voor mijn dood wilde ik weten hoe het voelt om met een natuurkracht op eenzelfde hartslag te swingen. Laatste kans, je weet maar nooit.
“Ja, kom, we dansen”, lachte hij en we baanden ons een weg door het publiek.
Er kwam een heel mooi meisje naar ons toe, het meisje waar hij het vaakst mee gedanst had. Ze lachte lief en zei hem dat het de hoogste tijd was om te gaan.
Hij keek me aan, haalde zijn schouders op en zei, sorry, mijn zus geeft me een lift naar huis. We moeten nog naar Kortenberg.
Ik vroeg: “ Woon je dan zo ver? In Kortenberg?”
Hij zei ja, kamer 226, afdeling ambulante patiënten.
Zijn handdruk was warm en welgemeend, hij maakte met iedereen een praatje zonder onderscheid in geslacht of lelijkheidsgraad en liet tussendoor een meisje roteren rond haar as.
Hij was geen pirouettedraaier, hij sprak met weinig woorden en een kwinkslag in een directe lijn tot het hart. Zijn ogen hadden nog dat schalkse van een kleuter dat vrouwen doet smelten en dat van andere mannen gedoofde vulkanen maakt, houterige harken, zuilen van zout. Prozakkers. Toch stoorde hij hen niet, hij stoorde niemand, hij bracht niets dan schwung en het gevoel dat we minder banaal waren dan we dachten. Hij fladderde en raakte ons voor een seconde met zijn discrete vleugels aan. Hij deelde minuscule electroshockjes uit.
Ik sloeg hem van de zijlijn gade en verloor hem uit het oog. Plots stond hij naast me met een schetsboek en zei: “Kijk, deze tekeningen heb ik gemaakt”.
Ik keek terwijl hij bladerde en zag geen spatje kleur, alleen maar schetsen in zwarte inkt, zwarter dan zwart. Eerst leek het op een kladboek met doorstreepte probeersels tot er ineens een perfect portret te voorschijn kwam en op de laatste bladzijde een naakte slapende man met uit zijn buik een navelstreng die tot aan de bladrand reikte.
“Hier lig ik”, zei hij met zijn tanden bloot. “De man die opnieuw geboren wordt”.
Hij ging zijn boek aan iedereen tonen die kijken wou , bijna niemand weigerde want men had toch niets beters te doen. Het had ook niets opschepperigs, er was niks arty farty aan. Het leek doodnormaal dat een herboren mens zijn zelfportret kwam tonen, iedereen was er tevreden mee. Daarna maakte hij de meisjes weer gelukkig met zijn salsa pasjes en de jongens met zijn ad rems.
Wat een verrukkelijk wezen dacht ik, sans complexe en toch voornaam, goeie tekenaar, geestige danser, prettige prater, een gelukkig mens. Misschien dat genade op aarde toch bestaat?
Rond middernacht zag ik hem bij de biertent staan babbelen. De bandleader kondigde de laatste salsa aan. La última canzión.
Toen deed ik iets wat ik nog met geen enkele man had gedaan. Ik snelde naar hem toe, scharrelde naar zijn hand en trok hem weg uit zijn gesprek.
“Kom, we gaan dansen, ’t is de laatste dans”.
Voor mijn dood wilde ik weten hoe het voelt om met een natuurkracht op eenzelfde hartslag te swingen. Laatste kans, je weet maar nooit.
“Ja, kom, we dansen”, lachte hij en we baanden ons een weg door het publiek.
Er kwam een heel mooi meisje naar ons toe, het meisje waar hij het vaakst mee gedanst had. Ze lachte lief en zei hem dat het de hoogste tijd was om te gaan.
Hij keek me aan, haalde zijn schouders op en zei, sorry, mijn zus geeft me een lift naar huis. We moeten nog naar Kortenberg.
Ik vroeg: “ Woon je dan zo ver? In Kortenberg?”
Hij zei ja, kamer 226, afdeling ambulante patiënten.
zaterdag 19 juli 2008
A Blogmurder Mystery Case
Waarom ik hier sta?
Ik heb een vriend die heel mooi kan bloggen, hij doet het drie keer in de week, hij zit over de honderd hits per dag. Geen onderwerp is hem te hoog gegrepen en hij haalt ook nergens zijn neus voor op. Hij fabuleert even eloquent en elegant over de tondelzwam als over Sturm und Drang, over de Unheimlichkeit van gele kermiseendjes als over Diderot de Balzac.
Vele mensen mailen hem comments onder echte of valse namen, ze veranderen soms van geslacht en maken intelligente grapjes, ze zeggen hoe geraakt ze zijn of hoe oneens maar nooit zonder esprit en altijd met respect.
Het leven op zijn blogspot ging zijn geestige gangetje aan een lekker tempo, tot Gérard ten scherme verscheen. Gérard was alles behalve bondig. Belezen en scherp dat wel, maar kernachtigheid was niet zijn ding. Hij was niet vies van plagiaten en citaten in zijn comments, ieder woord bij hem stond zonder bronvermelding tussen aanhalingstekens. Ja, zo kunt u het ook, ik hoor het u denken. Een Vlaamse James Joyce leek hij, sterker nog, hij kende de favoriete biersoort van mijn vriend want op een dag schreef hij: “Als je raadt wie ik hier parafraseer kom ik een fles Orval op je stoep zetten”. Gierig, dat ook nog.
“Zijt gij Gérard?” vroeg mijn vriend mij op een keer, hij vroeg het eigenlijk aan iedereen.
“Natuurlijk niet, lachte ik, dat ziet ge toch aan de schrijfstijl, ik gebruik vier keer minder woorden en zelden die van een ander.”
Gérard bleef maar reageren met zijn intellectuele overbelasting die veel scrolling en concentratie vroeg. Zijn toon werd alsmaar grimmiger, hij haalde al eens een persoonlijke veeg uit de pan naar boven, een literaire weliswaar maar zelfs de mooiste zin ter wereld kan een wapen zijn. Het hangt er maar van af hoe je hem plaatst.
Uit zijn pikerende syntaxis bleek Gérard niet alleen een intieme bekende te zijn maar ook nog eens een verbolgen bekende met een nijdig angeltje.
Ik zweer u, geen blogbezoeker die zich niet suf piekerde over zijn profiel. Onze vriend sliep na elk artikel dat hij blogde weer slechter, maar hij behield zijn cool. Hij feliciteerde Gérard telkens beleefd met de eruditie van zijn comments maar hij dacht in zijn binnenste, lafaard, stop met dat anonieme gestalk, ge maakt mij gek.
Het ging van kwaad naar erger. In iedere kennis die hij ontmoette begon hij Gérard te zien, waar hij ook kwam, in het theater, in de supermarkt, bij de fietsenmaker om de hoek, in iedere blik een literaire grijns, in ieder woord een quote. Hij droomde 's nachts dat hij hem zelf was. Hij kwam nergens meer en viel aan blogvrees ten prooi. Want Gérard die liet zich alsmaar verder gaan. Op de duur drukte hij zich uit als een zatte Camus die tussen aanhalingstekens tegen Sartre zou zeggen, natuurlijk zijt ge existentialist, ge ziet zo scheel als een otter. Zo grof dus, dat ik moest ingrijpen. Ik schreef:
“Een grote bek opzetten tegen iemand die je kent en die niet weet wie je bent is spooky en goedkoop. Kom op míjn blog maar eens bluffen met uw naamloos citatengepook..”
Daarom sta ik hier dus. Als een woordensamouraï te wachten op een virtueel duel. Met vers geslepen stijlfiguren, adequate adjectieven, puntige punctuaties en panache. En garde, gelijk Cyrano de Bergerac,
“j’ouvre la ligne, je la bouche,
tiens bien ta broche, Laridon !
A la fin de l’envoie, je touche. »
Heeft iemand nog van Gérard gehoord?
donderdag 17 juli 2008
You're very welcome to Waldolalah
beste bezoeker,
nog eventjes geduld alstublieft, blijf aan de lijn ook al is ze bezet, u wordt zo dadelijk geholpen
voor boeiende onzin, druk 1
voor vervormde levensverhalen, druk 2
voor kunst is krijgen, druk 3
voor stortingen, druk 4
voor spreuk van de dag, druk 5
.....
u drukte 5
gefeliciteerd met uw keuze.
Want de spreuk van de dag is vandaag een citaat van Oson Welles in het Frans:
"Je n'aime pas le mot 'professionnel'. C'est quoi ça, professionnel? Je préfère dire, je suis un amateur. Amateur, c'est l'amour."
Wij wensen u nog een prettige nacht en kijken uit naar uw volgend bezoek.
nog eventjes geduld alstublieft, blijf aan de lijn ook al is ze bezet, u wordt zo dadelijk geholpen
voor boeiende onzin, druk 1
voor vervormde levensverhalen, druk 2
voor kunst is krijgen, druk 3
voor stortingen, druk 4
voor spreuk van de dag, druk 5
.....
u drukte 5
gefeliciteerd met uw keuze.
Want de spreuk van de dag is vandaag een citaat van Oson Welles in het Frans:
"Je n'aime pas le mot 'professionnel'. C'est quoi ça, professionnel? Je préfère dire, je suis un amateur. Amateur, c'est l'amour."
Wij wensen u nog een prettige nacht en kijken uit naar uw volgend bezoek.
Abonneren op:
Berichten (Atom)