Masjenka

woensdag 20 april 2011

Luchtzak

Het vliegtuig vertrok met veel vertraging vanwege een verdwaalde passagier. Tenminste, dat zei de piloot, maar ik geloof allang geen piloten meer. Ik weet dat ze whisky drinken in de cockpit.
Ik zat in Economy Class, achteraan in de staart bij de toiletten. Naast mij zat een mevrouw, er lag een krant op haar schoot, haar linkerhand bedekte een foto.
Pas na de eerste luchtzak zag ik dat het een foto van Eddy Wally was.
Er kwamen nog meer luchtzakken, baby’s begonnen te krijsen, hier en daar kwam er een maaltijd naar boven maar de airhostessen bleven stabiel. Zij hielden zich vast aan hun trolley met taksvrije artikelen.
‘Wij ondervinden enige matige turbulenties’, zei de piloot. Daar had je hem weer.
De mevrouw vouwde haar handen over het hoofd van Eddy Wally. Ik sloot mijn ogen en dacht aan de dood.
Turbulenties verdwenen maar de baby’s bleven krijsen. Ik stond op en wandelde naar de cockpit. Ik had daar niets te zoeken, maar het leek toen een manier om de tijd te passeren, zien tot waar je kan gaan in een vliegtuig.
Ik raakte ver vooraan, tot achter het grijze gordijn van de Business Class. Niemand hield me tegen.
Het eerste wat daar opviel dat was het licht, en dan die gigantische beenruimte. Over een kwart van de Boeing stonden er slechts zes witlederen ligzetels verspreid. Vijf daarvan waren leeg, en alles aan die zetels riep: kom toch op mij liggen, vlei u neder vliegende passagier, geniet dan toch van mijn zalig comfort.
Ik ging in een zetel liggen en probeerde de verschillende knopjes.
Er gebeurden aangename dingen met mijn rug en met mijn benen, ik hoorde panfluiten en Petula Clark en zag Jennifer Lopez op een schermpje plots boven mij neerdalen.
Mijn hoofd zakte eventjes naar rechts, naar de overzijde, en daar zag ik hem liggen, met een beige plaid gedrapeerd over zijn lijf: de grote Gérard Dépardieu.
Eerst durf je naar zo’n man niet kijken, maar alles in hem zegt ergens iets van: kijk toch maar een beetje naar mij. En ineens keek hij ook naar mij. Onze blikken kruisten.
Ik zei ‘Gérard, wat doe jij hier op een lijnvlucht? Heb jij dan geen privé jet?’. In het Frans, uiteraard.
Gérard zweeg intens.
Wellicht was mijn intimiteitsdrang te ver gegaan, maar als je ooit iemand zijn eigen lul hebt zien afsnijden met een electrisch broodmes, ook al was het maar film, dan tutoyeer je hem voor je het beseft.
‘Champagne?’, vroeg een sympathieke airhostess.
Gérard drukte op een knopje waardoor hij recht kwam te zitten. Hij gooide zijn plaid als een cape van zich af. Zijn blondbruine bles viel nonchalant over zijn voorhoofd, een paard in de Camargue leek hij wel. Hij kreeg champagne en ik kreeg hetzelfde.
We heften onze glazen vanuit onze zetels en knikten naar elkaar.
Hij keek met een blik van je-ne-sais-quoi, ik durfde die blik niet te beantwoorden. Ik trachtte ieder oogcontact met zijn neus te vermijden en schaamde me tegelijk om dat kleinburgerlijk gevoel.
Ach, er was zoveel dat ik hem had willen vragen. Wat voor iemand Romy Schneider nu echt was geweest bijvoorbeeld en of het allemaal waar is wat men over Truffaut vertelt, maar ik deed het niet.
Gérard dronk zijn glas in één teug leeg.
‘Champagne?’,vroeg de airhostess.
Hij stak het glas voor zich uit en liet zich intens zwijgend inschenken.
Toen hees hij zich uit zijn zetel en kwam hij naast me staan. Hij legde zijn linkerhand op mijn hoofdsteun, boog zich voorover en tikte met zijn glas tegen het mijne. Ik kon zijn zure champagne adem ruiken en zat nu oog in oog met zijn neus.
De neus was belachelijk klein, zo klein dat het haast geen neus meer was, laat staan de neus van Dépardieu. ‘Wat een acteur’, dacht ik nog.
Ik zei, ‘santé et enchantée’.
‘Talar du svenska?’, zuchtte hij, met een vraagteken op zijn gezicht.
‘Zo dadelijk vliegen wij boven Groenland’, zei de piloot.
‘Koffie? Thee? Twee Euro vijftig!’, riepen de airhostessen en zij reden door de Economy Class, met hun trolley vol plastieken bekers.


.

vrijdag 1 april 2011

Casino

Het was eind oktober en de kip had eindelijk weer gelegd, vier dagen op een rij. Marie-Rose kreeg zin om een omelet van eigen kweek te bakken toen Karel bij haar aanklopte en zichzelf meteen een glas inschonk.
‘Ik ga nooit meer naar de Bonanza’, zei Karel.
‘Wat ga je dan doen?’, vroeg Marie-Rose.
‘Thuisblijven’, zei hij, ‘en af en toe kom ik hier bij jou wat zitten lullen en zwijgen, jouw drank opzuipen en weer uitpissen in jouw wc’.
‘Weer iets om naar uit te kijken, Karel’.
‘Precies’, zei hij, ‘maar bij jou staat er tenminste geen bingo’.
‘In de Gouden Engel staat er ook geen bingo’, zei zij terwijl ze het eerste ei begon te klutsen. Ze klutste haar eieren graag één voor één.
‘Ja, maar de Gouden Engel ligt dan weer vlakbij de Bonanza en je moet de kat niet bij de boter zetten. Zelfs mijn enkelband detecteert dat geografisch prutverschil niet’.
‘Als je de Gouden Engel buitenkomt, moet je altijd proberen links af te slaan. Ga gewoon niet naar rechts want dan kom je bij de Bonanza’.
‘Jij kent de roep niet van de bingo meisje, de roep van het kleine balletje is sterk’, zei hij, ‘sterker dan de windrichting waarin de cycloon ons blaast’. Als Karel een metafoor was geweest, was hij een flipperkast.
‘Er zijn er al genoeg afgekickt’, zei Marie-Rose.
‘Ja! Maar kennen ze nog het geluk!’, riep Karel.
Hij wreef met de palm van zijn hand over de rand van zijn lege glas alsof het een glazen bol was, en hij speelde de helft van de omelet van Marie-Rose in twee happen binnen.

De eerste avond van november ging Karel naar de Gouden Engel. Bij het buitenkomen sloeg hij af naar links en ging verder in die richting. Maar de tweede avond werd hij bij het buitenkomen weer naar rechts geblazen, en op de zesde had hij geen kluit meer om in een bingogleuf te steken, laat staan om zijn pint te betalen. Hij klopte vaak aan bij Marie-Rose en Marie-Rose was altijd open.
Het was winter, het was te donker om nog de stad in te rijden en Karel was soms interessanter dan literatuur, zijn bezoekjes vielen zelden tegen. Hij was wat aan de egocentrische kant maar hij had tenminste die prettige gave van het spontane bombastisch woordgebruik. Eens hij goed of dreef kwam, maakte hij plastische gedachtensalto’s en ieder verhaal van hem, ook al was het vaak hetzelfde, leek telkens nieuw. Karel kon iets maken van het niets en hij was royaal met complimentjes.
Als Karel een beter gebit had gehad, een frissere geur en geen enkelband dan had Marie-Rose hem allang gekust. Of misschien ook niet, want Marie-Rose was meestal te moe om te kussen en Karel te dronken.

Toen werd het lente, de avonden langer, en Karel begon zwaar te wegen. Op de zetel waarin hij altijd zat, begon er een vetplek te blinken.
Op een late namiddag, onderweg naar de stad, kreeg Marie-rose de aandrang om te plassen. Ze stopte bij de Arizona en liep zonder iets te bestellen recht naar de toiletten. Voor de toiletten stond er een bingo waarop een kaartje plakte: Gratis mee te nemen.
‘Wat mankeert eraan?’, vroeg Marie-Rose.
‘Er mankeert niks aan’, riep Rebecca,‘neem maar mee, we verhuizen naar Australië. We beginnen daar een frietkot’.
Rebecca klonk heel erg gelukkig en er zat hoop in haar ogen, de hoop op een bloeiende frietverkoop aan gebronsde surfers.
De twee vrouwen omhelsden elkaar en wensten elkaar geluk op het levenspad.

Nu staat de bingo van de Arizona al maanden in de keuken van Karel. Hij kan nu flipperen met zijn eigen geld.
Marie-Rose brengt hem af en toe een eitje
En over Australië heeft er een cycloon geblazen die het nieuws nooit heeft gehaald.
.

vrijdag 18 juni 2010

Eddy

Iedere dag was er rommelmarkt op het Vossenplein. Naar het schijnt is dat nog altijd zo, iedere dag van zes tot twaalf. Ik ben er in geen tien jaar geweest.
Er stonden een paar bomen op het Vossenplein waar de honden onder kakten en de dronkaards tegen pisten.
Tegen een uur of één krasten de laatste marktkramers op en lieten hun meest onverkoopbare rommel onder die bomen achter. En het was uit die rommel dat ik soms schatten redde, voor de stedelijke kuisploeg hen naar hun laatste stortplaats veegde.
Een zielig exemplaartje van Candide bijvoorbeeld, te vies om aan te raken, maar op het titelblad had iemand ooit met kroontjespen geschreven: ‘A toi, ma Candide. Charles, 1946’.
Een kodakfotootje van een dame met witte poedel bij het hellend vlak van Ronquières. De poedel was vergeeld, maar hij keek nog altijd in de lens.
Op een middag lag er een map met kindertekingen onder een boom. Elke tekening was op de achterzijde gesigneerd: Eddy Laurent, 2ième année, école d’Etterbeek 1940.
Eddy had knap getekend in 1940.
Hij had iets vroegrijps voor het tweede leerjaar, met zijn zwarte en rode vierkantjes als achtergrond, zijn groene dressoirs met mauve sanseveria’s. Uit één dressoirdeur kwam iets dat op een kattenstaart leek maar voor de rest, geen spoor van zoölogie in Eddy’s prille werk. Behalve op die ene tekening, dat kleine jongetje dat zonder ogen tussen vier oranje reuzenkapstokken stond ingeprangd.
Ik nam de map mee naar huis en legde haar in de doos bij de andere schatten. Boven het titelblad uit Candide dat op het hellend vlak van Ronquières lag.
Het jongetje zonder ogen hing ik met een duimspijker aan de muur.

Daarna ging ik voor lange tijd niet meer naar het Vossenplein. Ik weet niet meer waarom. Misschien was het winter, of zat ik met een gebroken hart of een gebroken teen.
Maar op een dag, dat weet ik nog, scheen de zon door het open raam en ik bladerde wat door het telefoonboek. Er stonden zes geabonneerde Laurents in Etterbeek. De tweede die ik belde, bleek Eddy te zijn.
‘Monsieur Laurent?', vroeg ik, ‘Eddy Laurent?’.
‘C’est ça’, zei hij. Hij klonk oud, gebroken oud.
De tekeningen zegden hem niets meer maar hij wou ze zo gaarne eens zien. We spraken af op een terras.
Een bleke meneer hees zijn benig karkas zo elegant mogelijk uit een taxi. Hij kwam naast me zitten en bestelde Porto. Hij was zo spaarzaam met woorden dat je er stil van werd. Hij bekeek de tekeningen, glimlachte dromerig, maar hij zei niets. En ik vroeg hem niets.
‘Zie, hier heeft een duimspijker gezeten’, zei ik. ‘Deze hier heeft lang aan mijn muur gehangen’.
‘Ik ben blij dat u mij heeft gebeld’, zei hij.
Dit was dus Eddy. Edouard Laurent uit Etterbeek. Ouwe Eddy rook royaal naar Eau Sauvage.
Hij praatte wat over de invloed van de tweede wereldoorlog op het wereldbeeld van het gevoelige kind. En ik zei iets vaags over de jaren zestig.
Een paar Porto’s later namen we afscheid.
‘Houdt u de tekeningen voor me bij?’ vroeg hij, en hij lachte ‘Als ik ze meeneem, liggen ze straks weer in de hondenpis. Het zal niet zo lang meer duren’.
Ik hielp hem naar zijn taxi.
‘Misschien kunnen we nog eens afspreken voor een Portootje’, zei hij met de hand op de taxideur.
En toen kwam die dikke mevrouw voorbijgewandeld. Ze keerde op haar stappen terug en bleef voor Eddy staan.
‘Mais enfin, Jean-Jacques!’ riep ze en ze gaf hem drie kussen. ‘Jean-Jacques Bovet! Vieux salopard, je leeft nog!’

.

zaterdag 10 april 2010

Charly's laatste bloemkool

Er zat een ekster in de tuin, Charly zag ze links van zijn computerscherm. Ze huppelde met een zekere onschuld door het gras tussen de gele bosjes paaslelie.
‘Dappere knolletjes’, dacht Charly, ‘om zo ieder jaar rond Pasen opnieuw te willen bloeien’. Hij keek naar de paaslelies en hij keek naar de ekster.
Wanneer had hij die knolletjes daar geplant? Acht, negen jaar geleden? Was het niet datzelfde zelfde jaar van Oscar, de tamme Vlaamse gaai, het jaar van het on...
Er landde een tweede ekster in de tuin, even strak in de pluim, even glanzend als de eerste. Ze huppelden beiden kriskras door het gras.
‘Wie is nu wie’, dacht Charly, ‘zie ze militair rondhuppelen in hun uniformpjes. Hoe zou gebraden ekster smaken. Taai waarschijnlijk, iemand moet het toch al eens geprobeerd hebben. De Romeinen, wedden dat de Romeinen gebraden ekster aten. Ekster en kikkerdril. Een ekster moet je ook niet braden, die laat je zachtjes sudderen, dan wordt alles mals, als je het lang genoeg laat sudderen. Behalve stenen natuurlijk. Hoewel lava dan weer een duidelijk voorbeeld van gesudderde steen is...Hoelang zou ik moeten sudderen, in welke saus pas ik het best. Hersens in de pan, klontje boter, zwarte peper, sap van een halve citroen. Het buikspek kan mee in een stoofpotje, niets mag verloren gaan, wangen in een licht roomsausje misschien maar mijn bilpartijen vragen om marinade want die zijn...’.
De telefoon rinkelde.
‘De bloemkool was echt lekker mama’, zei Charly. ‘Ik eet er nu al twee dagen van en ze is nog...Nee, de saus was perfect mama maar zo’n bloemkool is wel heel veel om alleen op ... Neen, maak je niet altijd zo’n zorgen mama, ik ben heel blij dat ik alleen woon, het is gewoon veel bloemkool, het was bloemkool voor twee, dat is alles. Meer moet je er niet achter zoeken. Het gaat om de bloemkool, niet om mij, en ze was erg lekker...ja ook gisteren nog mama...’.

Charly ging terug achter de computer. De eksters hadden ruzie. Het had iets van een hanengevecht in ekstertaal, met veel krijskabaal.
‘Daar houden die vogels zich dus mee bezig. Hectaren grasland voor hun twee, luchtruim zat, en toch pikt dat mekaar de ogen uit voor diezelfde stomme pier...’.
Hij ging bij het raam staan en klapte in zijn handen, de eksters vlogen weg, de ene naar links, de andere naar rechts.
‘Ach die beesten hebben er ook niet voor gekozen om ekster te zijn, het is dienstplicht. Alles is dienstplicht’, dacht Charly.
Hij ging naar de keuken, zette de transistorradio aan en draaide wat aan de zenderknop. Een gemengd koor was aan het uitsterven op het klassieke kanaal.
‘U luisterde naar de Johannespassie van Bach in een uitvoering van symfonieorkest zus en koor zo, mezzosopraan zus en bariton zo, onder leiding van de vermaarde Bachdirigent zus of zo'.
‘Wat een woeste werkgever, die Bach’, dacht Charly.
Hij nam een potje uit de koelkast, haalde het deksel van het potje, en keek met een zekere tederheid naar het laatste bloemkoolroosje in de inmiddels geschifte béchamel.

.

maandag 25 januari 2010

Iedere morgen in Monaco

Ik ben vijfentwintig en het regent al weken. Ik heb al dagen niets van hem gehoord, maar zelfs al zou ik hem horen, zelfs al zou ik hem zien, ik zal op dezelfde nachtmerrie rijden.
Ik ga de trap af, de deur uit, buiten is het nog donker. Ik stap in een portie friet die al eens de binnenkant van een maag heeft gezien.
De stad stinkt, de lucht ruikt naar vijand. Een vuilkar blokkeert de straat, er wordt getoeterd, geroepen, en iemand geeft iemand een muilpeer. Mannen gaan elkaar te lijf, ik hoor overspannen gebrul, ik zie bloed, ik hoor kreten, iemand sterft. Ik kom weer eens te laat op mijn werk.

‘Wanneer ga je nu eindelijk eens iets doen, Masja?’, vraagt mijn Hollandse baas bij de reutelende percolator. Ray Helsbergen. Kalfslederen broek glimt om zijn getrainde billen. Zijn tanden zijn witte toetsen, zijn kuif wiegt met zijn solarium gebronsd voorhoofd mee.
Ik zeg dat ik heel veel doe, dat ik alles doe wat van mij wordt gevraagd, meer werken dan loon.
‘Is dat zo meisje?’.
‘Kijkt u de dossiers maar na, zeg ik, vraag maar na bij de klanten’.
Hij roert wat met zijn lepeltje.
‘Waarom ga je ‘s middags met ons dan niet mee uit eten? Of dacht je dat er tijdens de lunch niet wordt gewerkt? Waar dacht je dat wij onze belangrijkste deals sluiten?’.
‘Van lunchen staat er niets in mijn contract en in Le Dragon d’or kan ik zelfs geen soepje betalen. Ik eet mijn boterhammetjes op in het park, bij slecht weer in mijn Lada’.
Dat durf ik dan toch zeggen, ik ben maar vijfentwintig en ik denk: ‘Omdat jullie zo’n verwaand zootje zijn dat zwelgt in eigenwaan, dat zeurt over de vorm van een rijstkorrel, over een splintertje kurk in de wijn. Dat mij er alleen maar bijwil als tafelgarnituur. Omdat iedere minuut zonder jullie een verademing is, iedere seconde buiten dit kantoor zonder ramen, dit leven zonder zicht op leven, jullie halleluja reclamegedoe, jullie niets, jullie totale niets, verkopers van vergiftigde wind’.

Ik ben negenenveertig en het regent al weken.
Ik heb al dagen niets van hem gehoord.
Ik merk op Google dat Ray Helsbergen nog leeft, op meerdere yachten tegelijk ergens tegen Monaco.
Ik gun het hem wel, ik gun het iedereen.
Maar in ’t diepst van mijn gedachten krijgt Ray een muilpeer op zijn yacht. Iedere morgen in Monaco. Behalve in het weekend.

zaterdag 19 december 2009

Baden-Baden Bitte

Om half twee heb ik afspraak op het Casinoplatz met Dostojevski voor een kopje thee. Tenminste, ik neem koffie.
Bij ‘Das Bistro’ staan de stoeltjes buiten, ik heb ze gisteren gezien, en als ze er gisteren stonden dan vandaag zeker, want het weer is nog beter, nog zonniger met slechts af en toe een wolk. Dat wil dus zeggen dat we straks buiten kunnen zitten Fjodor en ik, dat zou ik heel prettig vinden want ik ben graag buiten op zonnige namiddagen. Geen haar op mijn hoofd wil in zo’n donkere Stube gaan zitten als de zon schijnt en de stoeltjes buiten staan want daar kan je dagblind van worden. Je merkt het niet meteen, zolang je zit vind je alles normaal, het effect laat zich pas later voelen.
Ik heb het vroeger meegemaakt dat ik om redenen buiten mijn wil namiddagen moest spenderen aan cafépraatjes in het halfdonker terwijl buiten de zon aan het schijnen was. Ach er zat best geestige praat tussen maar wanneer ik dan weer buiten stond dan voelde ik mij als van tien vampiers gebeten. Dan kwam het met mijn dag niet meer goed.
Maar niet iedereen houdt ervan om buiten te zitten natuurlijk en daar moet je je aan aanpassen. Er zijn mensen die geen zuchtje wind verdragen, er zijn er die gaan niezen van frisse lucht of puisten krijgen van zonlicht. Het is vanzelfsprekend en menslievend dat we ons naar zulke mensen plooien, maar ik vrees dat het straks met Dostojevski weer precies hetzelfde zal zijn.
Hij zal een krant onder zijn arm knellen, of toch iets van papier. Hij zal er bleek uitzien in zijn grijs kostuum, oud voor zijn leeftijd. Hij zal geen lotion dragen, hij zal weer een beetje naar oude Rus en zuurkool ruiken. Oude Russen hebben iets met zuurkool, ze zijn er mee opgegroeid, ze vinden het lekker en vaderlands. Hier in Baden-Baden heeft praktisch elk restaurant zijn zuurkoolschotel op het menu, daarom loopt het hier vol oude Russen denk ik. Een betere verklaring heb ik er niet voor, ze komen toch niet allemaal voor het casino. Casino’s vind je overal, maar een casinorestaurant met zuurkool op het menu dat hebben ze alleen in Baden-Baden, zeker weten.
We zullen elkaar begroeten door onze rechterhanden te schudden en hij zal me niet in de ogen kijken, hij zal even verlegen en vermoeid zijn als ik. Maar ik moet weer de stoere zijn, ik moet weer glimlachen en goocheltoeren om door zijn Petersburgs ijs te breken. Want dat is wat hij van mij verwacht, denk ik. Dat ik een stukje van zijn ijs breek of er op z’n minst een rondje op schaats. Iets anders kan het niet zijn, ik heb hem niet veel te bieden.
Hij zal binnen willen zitten, je zal dat zien, terwijl hij in zijn toestand toch beter eens buiten zou zijn, zeker op een dag als vandaag. Een zondag, aangenaam warm met slechts een lichte bries uit het zuidwesten.
We zullen veel zwijgen, onze lepeltjes in onze kopjes doen walsen, aan onze servetjes frullen. We zullen intens non-verbaal communiceren en dat is maar goed ook, want mijn Russisch lijkt nergens op en op zijn Frans staat meer haar dan op zijn hoofd. De weinige woorden die we spreken zullen opgaan in caférumoer en morgenvroeg vergeten zijn. We zullen niet doorhebben hoe zwaar de muren en het plafond op ons wegen.
Maar we zullen elkaar wel weer mogen, zonder te weten waarom. De ganse tijd zullen we ons afvragen waarom. We zullen spijt hebben en tegelijk opgelucht zijn bij het afscheid. ‘Hou je goed, tot volgend jaar misschien’, zullen we zeggen. Ik geef hem een schouderklopje, hij raakt mij niet aan. Hij salueert me met zijn krant.
Ik hoop echt dat Dostojevski straks eens buiten wil zitten, al was het maar voor één keer.

woensdag 4 november 2009

Zevenendertig seizoenen

De straat waar ik woon is een mooie straat en ze is ook behoorlijk lang. Hoeveel strekkende meters weet ik niet, ik heb ze nooit geteld. Ik zou haar best eens op de kilometerteller in de auto kunnen meten maar ik doe het niet. Ik zou haar huisnummers kunnen tellen, maar ook dat doe ik niet. Ik hou niet van tellen, dat merk je aan mijn bankrekening. Zelfs op mijn liefdes weiger ik een getal te plakken. Wanneer iemand mij vraagt hoeveel lieven ik had, dan komen er orakels uit mijn mond, rebussen of gevleugelde ingevingen van het moment. Ik meet ze liever in Celsius of in millibar.
Van mijn straat ken ik wel de duur. Ze duurt ongeveer twee minuten per auto, tien op een damesfiets en een half uur te voet, van haar begin tot haar einde of van einde tot begin.
Ik woon er negen jaar, vier maanden en één dag. Zevenendertig seizoenen dus, als ik juist tel en vier maal negen plus vier nog altijd zevenendertig is.
Mijn straat is een straat met reliëf, met hoogtes en laagtes, alle fietsversnellingen komen er aan te pas. Ze traint je longen en je beenspieren, ze laat je zweten maar ook ongeremd bergaf draven. Daarom heet ze geen straat, maar dreef. Iets dat je haren laat wapperen en je hart sneller doet slaan.
Ze is ook heel smal en ze slingert hier en daar een beetje met een air van natuurlijke elegantie. Ik ben trots dat ik haar bewoon en bewandel. Tuurlijk heeft ook zij haar kleine kantjes, maar geloof me, die wegen niet op tegen haar potentieel aan betovering.
Zij is dan ook bijzonder populair bij alle soorten van toeristen. Weekendwandelaars uit de stad, wielerterroristen, Hells Angels en Old Timers. Allemaal willen ze hier passeren in hun vrije uur. Want mijn straat geeft je een gevoel van vrijheid, een zweempje teloorgaande poëzie maar haar populariteit zorgt voor overlast. Hinderlijke geluiden, gassen in de lucht, platgereden poezen, plastic flessen, zelfs bekakte pampers in haar bermen. Het is niet haar schuld, de enige schuld die haar treft is die van bekoorlijk te zijn.
Ze is rijk aan variatie. Huizentrosjes met of zonder voortuintjes, weiden, paarden, kippetjes, koetjes en zelfs een heus bos dat ze in twee bosjes splijt. Aan weerskanten een witblauw tapijt van anemoon en boshyacint in de lente, ’s zomers een groen vogelparadijs, bruinrood palet in de herfst, en ’s winters…ach, ’s winters ligt het niet aan haar maar aan mij.
Haar bewoners groeten elkaar met een knik, met een zwaai of met een lachje van erkenning. Zelden met een kus. Wij zijn van weinig woorden maar van sprekende blikken. Wij zien van ver hoe onze mutsen staan. Wij weten wat zwijgen is.
Ik hou van mijn straat en ik durf soms wel eens denken dat zij van mij houdt. Andere straten die ik heb bewoond, hebben me nooit zo tevreden gemaakt.
Maar ergens voel ik dat wij niet lang meer zullen duren, dat er een einde komt aan ons verbond. Vraag me niet waarom. Er hangt iets in de lucht, iets van noodlot, iets dat in halve tonen zingt: ‘mooie liedjes duren zelden langer dan dit’.

dinsdag 25 augustus 2009

Summertime

De zomer was zo heet dat zelfs het koren smolt, wat men normaal van koren niet zou verwachten. Heet koren vat vlam, maar smelten doet het niet.
Water kwam uit druppelglaasjes, met mondjesmaat. Wijn en bier regeerden, de nadorst was groot, bij valavond zat je al met de kater van de morning after.
Niets of niemand had nog zin om te groeien, behalve de distels en de auto-industrie. Pruimen hingen gedroogd aan de pruimelaar en de appels hadden rimpels. Kakkerlakken koloniseerden het containerpark.
Koeien herkauwden smeltend koren tot in den treure, hun uiers zochten naar een functie.
Er was geen wind, de zeilen bliezen uit, de bomen zwegen. Alles zweeg, het had zijn voordeel. Alleen, het zingen miste ik.
Zweet en tranen waren dampkring, we waren pekelharingen in de put van vrouw Holle. De koelkast werd onze beste vriend. Haar industrie groeide onbewust en airco’s uit Australië floreerden. Wat waren we milieubewust.
Er waren paarden en schapen die stierven bij gebrek aan stal en schaduw, want mensen, zie wat jullie met schapen en paarden durven doen.
Boeken brachten verkoeling bij het bladeren, en bladeren hielden zich vast aan de takken van de bomen. Zelfs cirkels bleven niet rond, ze hingen als ellipsen aan hun wasdraden die van zichzelf al uitgerekt waren.
Mollen en vleermuizen bleven blind, zoals alles wat onder de grond leeft of in kerktorens zucht.
En ik? Ik vervloekte de zon en telde de bloedende seconden van mijn dagen tot het grote onweer. Tot de verlossende regenval.

vrijdag 14 augustus 2009

Wie last heeft van hemorroïden lijdt in stilte..

‘Kijk jongen’, zei Erik Gustavson tegen de kleine Mats. ‘Hier zie je een duidelijk voorbeeld van sublimatie’.
Erik strekte zijn stramme armen naar de bovenste bloem op een lange stokroos uit. Hij glimlachte.
Hij boog de stokroos met de bloem naar het kleine gezichtje van de kleine Mats en zei :’Kijk Mats, kijk jongen…kijk…wat zie je?’.
‘Ik zie een beest Erik, een beest! En het heeft haartjes!’.
‘Omdat dat beest een bij is jongen. Hier zien we een wezenlijk verschil tussen de bij en de wesp. De bij heeft haartjes, de wesp heeft er geen’.
‘Ben jij een wesp Erik?’.
‘Neen jongen ik ben geen wesp. Ik ben een mens. Maar nu je ‘t vraagt, wat voor een mens ben ik eigenlijk Mats? Een mens die veel denkt , denk ik. En daar valt je haar wel eens van uit. Maar wat zie je nog Mats?’.
‘Ik zie vleugeltjes’.
‘Dat heb jij goed gezien jongeman, bijen hebben vleugeltjes, wespen ook. Dus daar heb je alweer een bewijs dat ik geen wesp ben. Ik heb geen vleugeltjes. Maar wat zie je nog?’.
‘Het maakt lawaai Erik! Het maakt lawaai!’.
‘Maar wat zié je nog Mats? Buiten die bij die lawaai maakt met haar vleugeltjes...’
‘Oh ja, nu zie ik het Erik! Ik zie een bloem, een bloem met rode blaadjes’.
‘Het zijn roze blaadjes Mats, rood is donkerder dan roos, zoals die rode petunia’s daar..zie je ze Mats?’
‘Ik zie tante Frida wuiven achter de rode punia’s Erik’.
‘Maar wat zie je in deze roze bloem hier Mats? Kijk, wat doet die bij precies?’
‘De bij plakt aan de bloem en ze maakt lawaai’.
‘Plakt de bij echt aan de bloem, Mats? Kijk goed en denk goed na. Waaraan plakt de bij?’.
‘Van denken valt ons haar uit Erik’.
‘Niet bij iedereen jongen, niet bij iedereen. En er zijn ook mensen die zonder denken hun haar verliezen hoor. Kijk maar naar Hölle Frasen bijvoorbeeld, van zijn twintigste geen haar meer op zijn kop, maar ik zweer je dat hij nooit een originele gedachte heeft gedacht. Puur kuddegevoel Mats, puur kudde…’.
‘Doet dat pijn Erik?’.
‘Wat jongen?’.
‘Dat denken?’.
‘Soms doet het pijn ja. Maar smart kan je ’t niet noemen. ‘t Is eerder iets als zadelpijn onder je schedel, soms als een schop tegen je schenen in een voetbalmatch tussen twee gedachteploegen. Hoe kan ik jou dat uitleggen Mats, hoe kan ik het uitleggen…’.
‘Tante Frida wuift weer…’.
‘Je hoeft nooit bang te zijn van denken lieve jongen, integendeel weet je…je bent geen bij of geen hond, je bent een mens. Begrijp je me Mats, een mens. En er zijn dingen die veel meer pijn doen dan denken…’.

dinsdag 14 juli 2009

Stroop

In de vitrine van de bakker zag ik een fruittaart liggen die sprekend op mijn grootvader leek. Althans van ver, zoals je in wolken een gezicht kan zien.
‘Dag pépé’, zei ik, ‘mag ik nog eens op je knie komen zitten om hobbelpaardje te spelen?’.
Maar de taart antwoordde niet. Of misschien antwoordde ze wel, kon ik haar niet horen omdat ze achter glas zat en omdat er naast de bakkerij een betonmolen draaide. Want dat is wat betonmolens doen, luidruchtig draaien. Had er een windmolen gestaan, dan had die taart mij wel gehoord. Dan strekte haar mond van frambozen zich nu tot een glimlach en gingen haar druivenoogjes blinken zoals die van pépé.
Ik ging naar binnen, er waren drie klanten voor me. Een meisje met een neusring dat twee koffiekoeken kocht, een magere meneer die om zijn stokbroodje kwam en een mollige dame die een koffiekransje had. Ze stond de ganse tijd naar de taarten te staren als een kat naar een partij muizen, gebiologeerd. Wie van jullie zal het worden? Jij daar, lekkere witte Brésilienne met je slagroomtoefjes? Of jij, zwarte Charlotte met je blinkend chocoladeglazuur? Of jij misschien, fruitig toetje met je frambozenmondje, je bananenneus en je druivenoogjes?’
Ik tikte de dame op een schouder, linker of rechter, wat doet het er toe.
‘Ken ik u ergens van?’ vroeg ze.
Ik zei dat ik het niet wist, maar dat alles mogelijk is natuurlijk. Als taarten zelfs grootvaders kunnen zijn, waarom zou zij mij dan niet ergens van kennen?
‘Weet u al welke taart u gaat kopen?’ vroeg ik haar.
Ze wilde ze allemaal kopen want haar koffiekransje telde maar liefst vijftien calorierijke dames met zoete tanden.
Ik vroeg haar beleefd, met humor en met tact, om de fruittaart aan mij over te laten maar ze had er haar zinnen al op gezet en zij was eerst. En wie eerst is, heeft de eerste keus, heeft recht op alles. Wat een vreemde wet die er onder de mensen heerst.
Dus wendde ik mij tot de leugen en ik zei dat mijn lieve moeder diabetes had en dat ze enkel fruittaart kon eten. Vooral met frambozen, bananen en druifjes. Want had ik haar de waarheid verteld, dat die taart het gezicht van mijn grootvader had, dan…
Ik nam de taart mee naar huis en ik bewaar haar in de koelkast. Tot op heden heeft ze nog niet geglimlacht. Maar ze krijgt wel al een beetje baard. Want ‘een kusje zonder baard, is als een eitje zonder zout’, is wat pépé altijd zegde toen we hobbelpaardje speelden.

zaterdag 11 juli 2009

Dokter Zjivago

Ik ben zo romantisch. Ik ben een mens met achtergrondviolen en geparfumeerde riolen. Maar in het echte leven stink ik, denk ik helder, zie ik scherp en praat ik troebel, want dat rijmt op roebel.
Opgejaagd wild. De bajonet vanachter, vraagtekens op het voorhoofd. Daaraan kan je mij herkennen. En aan mijn geur uiteraard.
Oh god, ik ben zo romantisch. Hoe droevig is mijn lot. Ik kan een revolutie ontketenen maar niet eens de lafaard in de held herkennen, laat staan, een belastingsformulier invullen zonder die wijnvlek op de bedrijfsvoorheffing te morsen. En mijn vrienden zijn even erg, want ons kent ons. Wij vertrekken vaak maar komen zelden ergens aan. Wij spazieren zonder papieren, zonder handschoenen trekken wij het woud in en branden onze vingers aan kampvuur. Wij zijn sprokkelmaterie, spielerei, godenspeelgoed. Ja, u mag het gerust hardop zeggen: verdoemd!

Op een avond kwam ik hem ergens met zijn balalaika tegen en hij speelde zo mooi. Hij was zelf ook heel aardig om te zien en wanneer hij lachte, dansten de kaarsvlammetjes onder het windstille maanlicht. Hij lachte vaak.
Van het één kwam het ander, en voor ik het wist, speelde hij in mijn salon. Zo mooi, te mooi om waar te zijn. De stoelen dansten, onze wijnglazen zweefden onder het lekkend plafond.
Hij legde zijn balalaika neer, nam een slok, en kuste me heet. Mijn tong was gelukkig, mijn tanden dansten de kasatsjok, mijn hart stond in vlam. Hij vertelde mij dat ik zijn allerliefste was, dat ik altijd bij hem moest blijven, dat we samen naar de sterren zouden gaan.
En ik geloofde hem.

vrijdag 15 mei 2009

Masja Hari en Het Gele Gevaar

Woensdagavond kuierde ik weer wat langs de kade onder de lichtjes van de Schelde. Een spannende manier om het zwarte gat der werkloosheid te dichten.
Palingvissers zaten geduldig op paling te wachten. Nu ja, ik kon ze niet zien, maar het is niet omdat je geen palingvissers ziet dat er geen zijn. Piraten sloegen het op akkoordjes met matrozen en cameramensen. De tanker uit Timbuktu loosde zijn frituurolie. Je normale rustige woensdagavondje langs de kade dus.
Een gele Porsche volgde mij zonder nummerplaat, althans, ik zag er geen. Hij kwam naast me rijden, zo traag als een Porsche rijden kan. Een raam schoof naar beneden, een hand wenkte, een mannenstem riep in het donker. Ik dacht even: waar ken ik die stem ergens van?
‘Mevrouw Masja?’
‘Juffrouw Masja’
‘Juffrouw Masja, is het waar dat u Chinees spreekt?’
‘Ni hao’
‘Stapt u even in? Ik heb een interessante werkaanbieding voor u. Ik ben de minister van landsverdediging, kijkt u maar naar mijn krullen’.
En ja, wat doe je op zo’n moment? Je stapt in een gele Porsche.
‘De zaak zit in vogelvlucht zo. Zoals u weet, meert morgen de Shangai Express 203 aan, de mastodont met de tweehonderd en drie Chinese bemanningsleden die hier om de twee weken voor anker gaat. Uit goede bron weten wij dat hij minstens twintig spionnen aan boord heeft. En wij dachten aan u, juffrouw Masja, om de snoodaards te ontmaskeren. U bent toch degene die minister Claes destijds ….?'
‘Dim sum’
‘Dat dacht ik al. Als bedrijfswagen krijgt u deze telegeleide Porsche met ingebouwde stemcomputer, infraroodsauna, lounge bar, Power Plate en Flatscreen, waarmee u tweewekelijks naar onze contactpersoon in Schellebelle rijdt. Aan deze persoon geeft u alles door wat u op de Shangai 203 achterhaalt, in een geheimschrift dat op het Chinees lijkt maar het uiteraard niet is. In Schellebelle krijgt u zoveel cash als u nodig heeft voor uw contraspionage. Heeft u nog vragen?'
‘Ik zou liever een rode Ferrari hebben. Geel lijkt meer iets voor een Ford gezinsmodelletje, type Tourneo Connect xl. En een Porsche.. pffft, dat parkeert zo lastig, dat bonkt met zijn lage ophanging tegen de kasseien van Schellebelle. Daar heeft u toch niet goed doorgedacht, minister van landsverdediging. In een Ferrari komt men toch altijd dat ietsje hoger van de grond.’
‘Zoals u wenst, juffrouw Masja, goed dat u ons hierop attendeert, de ophanging hadden wij over het hoofd gezien.’
‘Dus, even recapituleren, u wil dat ik tweehonderd Chinezen laat kreunen dat ze spion zijn? Ik zeg niet dat ik het niet aankan, de vraag is, zijn het Kantonezen, Mandarijnen… Spreken ze ABC, Algemeen Beschaafd Chinees? Iedere provincie kreunt anders hoor. Het Mandarijnse kreunen is mij niet vreemd, dat staat in mijn curriculum vermeld met een sterretje.’
‘Goed dat u ons daar op attendeert, juffrouw Masja’
‘Nu heb ik nog niemand horen kreunen: Spion! Ik ben een spion! Of, Fraudeur, ik ben een fraudeur! Meestal kreunt men een naam. Zoals minister Claes destijds ‘Aaahhh Gusta’ riep van extase. Mag ik bijgevolg vragen wat deze Chinese heren zoal bespioneren?'
‘Zij bespioneren schaamteloos onze industrie, juffrouw Masja, om haar in China te kopiëren. Alles maakt men in China na. Eddy Merckx fietsen, Tom Boonen inlegkruisjes, c.d ’s van Arno. Op massale schaal worden Chinese frieten gedetecteerd, Leonidas pralines made in Shanghai. Zelfs de Trappist, alstublieft.'
‘Dat wordt dan een fluitje van een cent, minister’.
‘Zeg maar Pieter’.
‘Dat wordt dan een fluitje van een cent Pieter’.
‘Dan moet ik nu enkel nog een bekwaamheidstest van u afnemen juffrouw Masjenka, formaliteitje van een paar seconden.'
‘Ya ming yü shu shang, Li Ping’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Hou je piemel in je broek, Pietel.’

maandag 4 mei 2009

Zij die glimlacht

1984 zag er voor mij iets anders uit dan voor George Orwell. In 1984 kreeg ik een diploma en via een kennis kwam ik aan mijn eerste job, klotejob, maar een job, in de verdorven hoofdstad. Die hoofdstad lag ver weg, en ik ben niet wat men noemt het pendelend type. Dus wees die kennis mij ook een bewoonbaar appartement aan, tweede etage in een aftands herenhuis van interbellaire glorie dat ‘Interludium’ heette en dat vanbinnen aan het vervellen was.
De hall rook naar boenwas, de trap lag onder een royalistisch rode loper en hij kraakte op de tiende en de dertigste trede. Op de overloop kwam je langs een zaaltje met parketvloer, imposante kristallen lusters, marmeren schoorsteenmantels met bronzen kandelaars, groene muren, aristocratische portretten. Er stond een zeldzame Bösendorfer vleugelpiano. Mijn huisbazin klampte zich vast aan de klassieke muziekkunst, als een veteraan aan zijn rammelende decoraties. Het sierde haar, en dat wist ze.
Iedere namiddag kwamen er jonge virtuozen op haar Bösendorfer oefenen. Meestal waren dat Japanners of Hong-Kong Chinezen, soms een zeldzame Spaanse, nu en dan een vliegende Rus. De getalenteerde Rus tokkelde zich toen nog via de snaren een retourtje naar het Westen.
En twee keer in de maand was er een huisconcertje. Dan liep de eerste verdieping over van de klassieke tover, van dure parfums, francofone blabla en klinkende champagneglazen. Dan moest ik in sourdine door mijn kamers sloffen vanwege de lusters die niet mochten rinkelen tijdens een sonatine. Daarom lag de huurprijs van mijn appartement ook aantrekkelijk laag, en vooral omdat het in Little Ankara gelegen was, de Turkenbuurt van Schaarbeek.
Ik was dol op mijn anachronistisch stekje in mijn exotische wijk. Ik zat er op kruipafstand gelegerd van drie notoire drankverstrekkende instituten, De Ultieme Hallucinatie, de Makin’ Whoopee en Le Jugement Dernier, het café met de driehonderd biersoorten, de Jazz, de Brel en de Brassens. Het werd geregeld door apocalyptische Albanezen kort en klein geslagen. Het is nu al een hiernamaals lang gereïncarneerd in een Albanese snackbar met een flipperkast. Maar in 1984 waren de aubergines bijvoorbeeld bij de doorsnee Belg nog totaal onbekend terwijl ik die gewoon bij de Turkse voedingszaak kon halen die Theo heette, om onduidelijke redenen.
Meneer Theo was van moustache tot sandalen een uitgesneden Prototürk. Zat hij niet in een muntthee te roeren dan kauwde hij op zonnebloempitten en spuwde de pelletjes in een kartonnen doos. Of hij speelde met zijn tesbih, zijn Turkse Paternoster. Om klokslag zeven ’s avonds trok hij zijn sandalen uit en waste zijn onfraaie voeten in een ritueel vies teiltje dat, om onduidelijke redenen, naast de open potten met fetakaas werd geposteerd. Daarom haalde ik mijn feta bij de Marokkaan, twee blokjes verder.

Welnu, meneer Theo had veel zonen en één dochtertje dat Gülen heette, dat is Turks voor ‘zij die glimlacht’. En Gülen glimlachte dwars door alles heen, ze was pas negen toen ik in Schaarbeek arriveerde. Heerlijk kind, wakkere reeënoogjes, lange wimpers, ze leerde mij tot tien tellen in het Turks, bir, iki, üc, dört, bes, alti, yedi, sekiz, dokuz, on. Op haar negende zat ze al achter de kassa.
Ik leerde haar tellen in het Vlaams en ze stelde interessante vragen als ‘Pourquoi toi cheveux blonds et moi noirs?’. Ik zei haar heel eerlijk dat ik het niet wist, ik durfde nog eerlijk zijn tegen Turkse kinderen, en het ging over chromosomen, waarover ik nog steeds niks meer weet te vertellen dan Y en X.
Overdag ging Gülen naar school, na vieren zat ze dus achter de kassa, altijd een plezier om haar te zien, we maakten grapjes over selders en bananen. Zeven jaar later moest ze vast achter de kassa , ze kwam nog amper van haar stoel. Beetje bij beetje verloor Gülen haar glimlach en haar slanke taille, de sterretjes dimden in haar ogen , maar ik bleef haar vraagbaak.
‘Hoe voelt dat om te zwemmen in een zee? Hoe voelt dat, de zon op je blote vel? Hoe voelt het om verliefd te zijn op een jongen?’.
Ik antwoordde naar best vermogen.
Nog eens zeven jaar later was ze zo rond dat je slechts nog een vermoeden van Gülen zag zitten. Haar golvende lokken verdwenen onder een synthetisch hoofddoek en ze kreeg een snorretje, enkel aan haar wimpers viel ze nog te raden. ’s Zomers vond ze dat hoofddoek een kwelling. Het gaf jeuk, het was heet, en het stonk naar de voeten van haar vader.
Ze was een jaar of vijfentwintig toen ze vroeg: ‘Jij bent niet getrouwd hé, zou je niet eens willen trouwen?’
Ik legde haar, naar best vermogen, uit dat ik te romantisch was om de liefde contractueel te versmachten.
‘Ook niet als je er tweehonderdduizend frank voor krijgt?’, vroeg zij.
‘Nog voor geen twee miljoen, zei ik, misschien alleen voor twee miljoen lieve woordjes in mijn oor en tien miljoen kussen op mijn mond.’.
‘Ik ken een Marokkaanse jongen, zei ze, hij komt hier iedere week om feta. We maken een praatje als vader het niet ziet. Hij heeft geen verblijfsvergunning, het breekt mijn hart dat hij terug moet naar Marokko. Hij is de enige jongen die met me praat. Wil jij niet met hem trouwen? Voor tweehonderdduizend frank?.
‘Waarom trouw jij niet met hem lieve Gülen, vroeg ik, je oogjes blinken weer, je bent verliefd, en je hebt toch de Belgische nationaliteit?’.
‘Ben je gek?’, riep ze. ‘Ik? Trouwen met een Marrokaan? Mijn vader en mijn broers vermoorden me’.

dinsdag 21 april 2009

Goedendag

Toen ik nog burgemeester was, was het leven zoet. Waar ik mijn kop ook stak, werd ik vriendelijk begroet. En het waren niet alleen de koetjes, de varkentjes en paardjes die naar mij loeiden, knorden of hinnikten.
‘Goeiemorgen, mevrouw de burgemeester, zei onze blozende beenhouwer, ook al stond hij een kalkoen in de morgen te fileren , hoe maakt onze burgemeester het vandaag?’.
Meneer de beenhouwer, vandaag maak ik alles goed, zei ik dan, ook vandaag zal ons dorp weer tevreden glimlachen over mijn regering. Jullie kunnen op twee oortjes slapen terwijl ik waak. De vijand krijgt geen kans. Een broodje met boerenpaté alstublieft.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, een kopje koffie bij uw broodje?’, vroeg Rita in het gemeentehuis. En ze bracht een kopje koffie met een wolkje melk.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei onze schepen van dorpsverdediging, wat ziet u er weer goed uit vandaag’.
Ja, zo voel ik me ook, beste schepen van dorpsverdediging. Goed zijn is hier mijn taak. Een burgemeester moet niet alleen goed zijn van hart maar ook in het ondertekenen van documenten. Heeft u weer mooie documentjes voor me meegebracht?
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei de politiecommissaris, eet smakelijk van uw lekker broodje’.
Dat zal ik doen, beste commissaris van politie. Het is de taak van het broodje om smakelijk te zijn, en het is onze plicht jegens het smakelijke broodje, om het met smaak te kauwen. Wilt u effe bijten?
‘Ja gaarne, mevrouw de burgemeester, ik bijt graag in uw smakelijk broodje’.
‘Goeiemorgen mevrouw de burgemeester, zei de schoonmaakster, mag ik uw ramen komen lappen?’.
Dat mag u zeker, juffrouw de schoonmaakster, waar hebben wij anders ramen voor? Om ze te lappen natuurlijk, ook al zit er geen spatje op. Als u niet kan lappen, heeft u geen werk, en ik weet hoe graag u lapt.
‘Goeiemiddag mevrouw de burgemeester, zegden de lunchende landbouwers in de snackbar naast het kapelletje, geen weer vandaag hé, met al die regen’ .
Dierbare landbouwers, mijn regenbeleid is een gedoogbeleid. Zonder de regen zaten wij hier in Ethiopië, een gebied waar ik niets dan droeve dingen van verneem. Zonder regen geen landbouw, en ik weet hoe graag jullie landbouwen. Zonder landbouwen hebben jullie geen werk.
‘Goedendag mevrouw de burgemeester’, zei meneer pastoor voor het kapelletje naast de snackbar.
Goedendag meneer pastoor.
‘Die belhamels hebben weer jointjes zitten paffen in mijn kapel, kunt u dat niet verhinderen?’.
Hebben ze iets vernield? Zijn er vandaliteiten op uw heiligdom gepleegd?
‘Neen, dat niet mevrouw de burgemeester, ’t zijn brave jongens, maar het ruikt hier weer zo naar…’.
Naar wierook en tranen, meneer pastoor?


dinsdag 14 april 2009

Koper


Vroeger keek ik neer op majorettes. Zij waren alles wat ik niet was. Luchtig en zwaaiend op witte rijglaarsjes, in veel te korte rokjes die om verkrachting riepen, of op z’n minst op billenkoek. Je kon aan hun gezichten ook zien dat zij de klassiekers nooit zouden lezen. En aan hun billen zat zich al dat lillend stukje zitvlees te ontwikkelen in een veel te spannende nylonpanty.

’t Is heel vreemd maar de laatste tijd wil ik alsmaar vaker majorette zijn. Met een zilveren stokje oefenen voor de kermisdagen en aan niets anders moeten denken dan: blijft mijn stokje wel in de lucht? Daarom zoek ik een fanfare.
Ik weet het, fanfare is grotesk. Fanfare is kitsch. De fanfare trommelt, rinkelt en blaast en de blazers stinken naar bier, trommelaars ook. Dat maakt haar sympathiek. De fanfare marcheert in militaire marche en ze heeft een triangel. Haar repertoire varieert van fanfare tot fanfare, van Eine kleine Nachtmusik tot Jailhouse Rock, maar fanfare betekent altijd feest. Soms ook begrafenis. Best ook een beetje feest natuurlijk, zolang je niet achter de fanfare aan moet lopen, maar lekker slapend in je gesatineerde kist de eeuwige rust wordt ingeblazen.



vrijdag 3 april 2009

Sluikweg

Telkens de Theunissen terug van Tenerife zijn, sluip ik weer langs mijn sluikweg naar de bakker. Dan fiets ik niet via de Kerkstraat naar het dorp maar laveer ik als een koorddanseres over het drassig kerkhofricheltje, dat veel te smal is voor een tweewieler. Leven is een les in acrobatie.
Want van zodra madam Theunis mijn kop door haar sanseviera’s ziet passeren, waarachter zij dagelijks postvat, tikt zij geestdriftig op haar raam en wenkt mij gretig naar binnen. En dan mag ik wel die gedegen rebelse eigenschappen bezitten waartegen Jeanne d’Arc een Perzische kitten lijkt, maar neen zeggen tegen madam Theunis, dat lukt me niet.
De kerkhofrichel is mijn redding, nadat eerst de rubberen-modderlaarzentactiek is mislukt. Met die laarzen mocht ik niet verder dan het deurmatje komen, dat was een excuus, dat was tenminste iéts om je aan haar geestdrift te ontwrikken. Maar op een dag zag ze een artikeltje van mij in een blaadje staan, een artikeltje van niets, en nu denkt ze dat ik een soort beroemdheid ben. Nu mag ik zelfs haar salonvloer besmodderen, en probeert ze met het gejubel der wanhoop haar gescheiden zoon aan mij te slijten. Haar man doolt ergens onzichtbaar door het huis, of achter een krant, of hij delft een voortje in de moestuin, zoals menig man met een madam Theunis zijn voortje delft.
Op een dag regisseerde ze het gesprek over haar latent vegetarisme in de richting der kleuren en vroeg me naar mijn lievelingskleur.
‘Ik vind alle kleuren wel iets hebben, zei ik, meekraprood kan bijvoorbeeld heel warm zijn, terwijl kobaltblauw…’
‘Krabrood is precies de lievelingskleur van mijn zoon, wat een toeval, wat een toeval!’ en ze knipoogde daar op een onder-meisjes giecheltoon aan toe: ‘Zijn onderbroeken zijn krabrood, weet je’.

Gelukkig trekken de Theunissen ‘s winters naar Tenerife en blijven daar lang genoeg om weer vergeten te worden. Maar o jee als madam mijn kop terugziet, want dan komt het onverbiddelijke reisverslag dat ieder jaar hetzelfde is. Geheugen is een vloek. De ouwe Nietzsche mompelde het al bij morgenrood vanonder zijn moustache, das Gedächtnis ist ein Fluch. Hun digitale kiekjes zien er telkens precies hetzelfde uit. Madam Theunis bij het zwembad, madam Theunis schuift aan bij het buffet, meneer Theunis doet alsof hij een balletje slaat, Madam Theunis onder een palmboom, madam Theunis op het balkon. Altijd met dat enthousiaste wenkbrauwstreepje en hij, met die eeuwig witte pet.
‘Zijn jullie ook naar de Teide geweest?’. Een louter afleidingsmanoeuvre.
‘Naar de wat?’, vraagt ze ieder jaar.
‘Naar de Teide, die enorme besneeuwde vulkaan die je van overal op Tenerife ziet staan’.
Neen, daar zijn ze niet geweest, maar ze hebben wel iedere avond de Conquistador, de Pescador of de Faro gedaan, drie sterren restaurants. En dan volgt de opsomming der zeebanketten.
‘Eerst champagne met Zeeuwse oesters, allemaal à volonté...’
‘Zeeuwse oesters, op Tenerife? Hebben ze er ook Noordzeegarnalen?’
‘Of ze uit de Noordzee komen dat weet ik niet kind, maar je ziet er wel veel garnalen. Roze, geen grijze. En dan komt de halve kreeft, ook à volonté…
‘Een hele kreeft dus’
‘Mét champagne hé, en dan een soep…’
‘Een vissoep?’
‘Neen, geen vissoep, kreeftensoep maar daar eet ik nooit zoveel van want ik zeg je kind, de hoofdschotel is zooo royaal, daar moet je plaats voor vrijhouden. En allemaal vers uit de zee hé, dat proef je, en dat betaal je natuurlijk ook maar wij kijken niet op een cent. Wij laten het ons kosten. Want dat is toch het belangrijkste in het leven kind, lekker eten. Onze zoon eet ook zo graag. Waarom ga je niet eens mee met ons? Lekker gezellig naar Tenerife…’


De kerkhofrichel is de enige weg die ik nog neem naar de bakker.

donderdag 26 maart 2009

De kleren van de keizer

'Waarom maken we niet eens een wandelingetje, zei ik, ver hoeft dat niet te zijn, een beetje buitenlucht doet altijd goed, wandelen is gezond'.
‘Ja ! Santé, santé! ’, zei nonkel Marcel.
Hij wreef door zijn haar, want dat heeft hij nog steeds, een weelderig wuivende helmbos, daar heeft hij een leven lang bij de vrouwtjes zijn extralegale voordelen mee gehaald.
Hij wreef dus door zijn haar, schoof in zijn pantoffels en stapte in pyjama fluks de deur uit.
Je wist niet wat je zag. Een gebroken man, die al meer dan twee jaar depressief op bed in rusthuis Avondzon zat te zuchten, stond zo maar op en wandelde.

‘Wacht, nonkel, wacht! Trek toch iets warms aan! En schoenen! ‘t Is buiten kouder dan je denkt, ‘t heeft geregend!’.
Mijn gsm rinkelde – ik moet dringend iets aan dat belmelodietje doen. Weet je wat? Ik moet die gsm gewoon weggooien. Want hij rinkelde dus en iemand van het werk bestookte me met beuzelarijen die ze gerust zelf konden oplossen als ze hun krediet aan grijze cellen maar gebruikten. Tien keer probeerde ik te zeggen: ‘Karine, ik moet u nu echt laten kind, want nonkel Marcel die al drie jaar depressief op zijn bed naar het plafond ligt te staren is zojuist op zijn pantoffels in pyjama de deur ausgemarchierd’.
Ik liep hem met flinke achterstand na, maar hij was natuurlijk al spoorloos verschwunden.
‘Heeft u Marcel soms gezien?’ vroeg ik op de lange gang aan een lange verzorgster die een volle bedpan hanteerde.
Neen, ze had Marcel niet gezien.
Ik rende naar het gemeenschapslokaal, het cafetaria, naar het restaurant, naar de balie, maar men had er geen Marcel in pyjama zien passeren.
Ik rende de straat op. Waar kon die ouwe naartoe zijn? Naar een café, maar welk café? Bij Jeanneken, naar den Gulzigen Bok, den Bonanza of den Acapulco? Ik zapte door mijn memorie, gokte op Bonanza, en spurtte richting Parklaan, die voorbij de kerk ligt.
De kerkpoort stond op een kier, en antiklerikaal of niet, zo’n kier is wel iets wat bejaarde depressieve nonkels kan lokken. Dus stak ik mijn hijgende kop in de kerk. De verroeste scharnieren van de dikke poort kraakten, op mijn hiel ontwaakte een stekende bloedblein, en voor het altaar zag ik een blote ouwe stakker staan, in Adamskostuum. Een verfrommelde creatie Gods, op zijn pantoffels.

‘Nonkel Marcel!’
Hij draaide zich in vol ornaat naar me toe en lachte even sardonisch als vroeger, toen hij bij het kaartspel zijn laatste troef op tafel smeet.
‘Santé, santé, santé!, riep hij van voor het altaar. Hij wees naar de gigantische Christus boven zijn hoofd die er vestimentair, op een soort pamper na, even minimalistisch bijhing. Santé…Santé…Santé…het weerkaatste langsheen de heiligen met houtworm, in een flits zag ik een alpenweide.
‘Nonkel Marcel! Waar is uw pyjama? We moeten gaan! Tante Rosa zit op ons te wachten!’.
Tante Rosa zit al drie jaar in Avondzon verlamd in haar rolstoel. Embolie. Maar tante Rosa zal nog honderd kaarsjes uitblazen, want blazen kan ze nog.
‘Santé, santé, santé’, was alles wat hij daarop te zeggen had.
En nonkel Marcel en ik, wij wandelden gearmd door de straten, van de kerk terug naar Avondzon. Ik wilde mijn jas over zijn lenden knopen maar hij zei santé santé santé en kieperde hem kordaat in een plas. Hij wenste poedelnaakt te blijven op zijn pantoffels.
De mensen gaapten ons aan, want zo zijn de mensen, maar wij hielden het hoofd omhoog. Nonkel Marcel schreed, alsof hij de keizer van China was. Wat van het lot heel ironisch is, want hij is altijd meester kleermaker geweest. Hij heeft menig grote der aarde in zijn nopjes gespeld, gedriegd en genaaid.

Santé, santé, santé, is alles wat hij sedert die dag nog zegt. En af en toe vraagt hij: doe die deur daar eens toe.
Op droeve toon, weliswaar.

donderdag 19 maart 2009

Een vredig haventje

De avond was te koud voor een terrasje, je kon best een stevig jasje verdragen, ook al zat je op een zwoele meridiaan. Oceaanwind speelde een treiterig spelletje met bierviltjes en servetjes, witte stoelen schoven als plastieken spoken over de kleine kade, de horeca zuchtte inwendig.
Nu ja, de horeca? Eén vissersbarretje van vijf op zes dat moet leven van de hongerige toeristen op zijn terras. De tonijn komt er vers uit de diepvries, de rum en de grappen zijn er belegen, maar alles is er één en al glimlach en salsa.

Ik had net een royale dosis calamares con papas fritas achter de kiezen en zat in twijfel of er nog een zoet toetje onder de broeksriem kon, toen Efraïn de bar binnenstormde.
'Kom kijken! Kom kijken! Ze zijn terug! Ze zijn terug!'.
Efraïn is de jongste van Humberto, bakker en visser van het haventje. Om de drie weken komt er een sloep met Mauretaanse vluchtelingen aangeprutteld. Een zestigtal beenmagere zwarte jongens en mannen, met roze handpalmen en witte tanden. Soms zijn ze met tachtig, maar Efraïn denkt nog steeds dat het iedere keer dezelfde zijn.
Jorge Morales, lokale loodgieter en politieman, werd meteen vanachter zijn televisie getrommeld en vloekte de Santa Madonna van haar sokkel.
‘Godverdomme daar heb je die zwarte bastardos weer, kunnen ze geen uurtje later komen? Tenerife maakt net een strafschop tegen Lanzarote!’.
Maar ergens was Jorge blij dat hij zijn pet en uniform nog eens aanmocht. Met de revolver en de matrak op zijn heup kon hij weer eventjes Superman spelen, al had hij meer van Lou Costello, de kleine dikke van Abott en Costello.
Jorge belde de Cruz Roja op, het Rode Kruis uit de hoofdstad, op een onverlichte bergrit van een uur. En hij deed een uur lang wat hij bij iedere Mauretaanse aanspoeling deed: hij handhaafde klapwiekend de orde, à la española.
Eerst moesten de zwarte mannen uit de sloep gehesen worden. Alsof we dat nog niet wisten.
Wankele, stinkende menswrakken, uitgehongerd, doodop, te onderkoeld voor wanhoop. Geradbraakt. Kapot. Hoe zou u zelf zijn na drie dagen en drie nachten in een barre sloep op zee? De onvoorspelbare weg naar het land van melk en honing is moedig, maar nat en koud. De oceaan is eenzaam en bangelijk bij nacht, de wind kan boosaardig zijn.
De ziekste exemplaren legden we uit de wind maar zij die niet omvervielen moesten netjes in een rij onder de zwakke lichtjes van de kade gaan zitten zodat Jorge hen beter kon tellen.
‘Er zit er altijd wel ééntje bij die nog wil weglopen’, zei hij met beroepsernst en met de hand op de knuppel.

Het was een ondraaglijk stille, sombere rij, in geen woord, in geen foto te vertalen. Misschien enkel in een schilderij, met gehavende galeislaven in dreigend Rembrandt- zwart en bruin, of in een donker aangehouden cellotoon.
‘Tu, capitan? Ben jij de kapitein?’, vroeg de kleine Efraïn aan degene die vooraan zat.
‘No communicación! Met de vluchtelingen mag niet gepraat worden, riep Jorge, en daarbij, ze laten toch niks los’.
Een Duitse drama queen barstte in tranen uit: ‘Ich kann es nicht ansehen’.
Maar Humberto hield het moreel der omstaanders hoog: ‘Jongens, nu is het moment om naar Mauretanië te gaan, alle vrouwen zitten er alleen’.
‘Je vraagt je af hoe die mensen in het donker zo precies dit haventje gevonden hebben’, zei ik.
‘Met een G.P.S natuurlijk, lachte Humberto weer, bij de derde tonijnbank slaat u links af..’..

En dan kwam het Rode Kruis van over de berg in gele busjes aangereden. Met zijn fleece dekens en krachtkoekjes, zijn bloeddrukmeters en stethoscopen, zijn bemanning in witte astronautenpakjes. Witte plastieken spoken met een mondmaskertje op.
Dan kwam de schifting.
Wie ouder was dan zeventien kwam links te zitten en werd drie dagen later op een vliegtuig terug naar Mauretanië gezet. Wie jonger was, moest rechts en kreeg nog een kans in de welvaart.
De witte Rode Kruisers gingen de rij af: ‘Cuàntos años tienes? Hoe oud ben je?’
De Mauretaniërs gaven geen kik.
‘Misschien helpt het als je ze in het Frans aanspreekt’, zei ik.
Duizend Mauretaniërs waren er al aangespoeld, maar geen Spanjaard die dààr ooit had aan gedacht. Men ging ervan uit dat ze Mauretaans praatten.
Ik bukte me naar een willekeurige man van een jaar of vijfendertig en vroeg: ‘Quel âge avez-vous monsieur?’
Hij keek me bevend aan en fluisterde: ‘J’ai dix-sept ans madame’.
Allemaal waren ze zeventien, behalve de kinderen en zij die half bewusteloos waren. En één lieve jongen die me strak in de ogen keek: ‘J’ai dix-sept ans madame, mais ce n’est pas vrai. J’en ai dix-huit’.
Hij bleef me smekend aankijken, en ik hem. ‘Zeg dat je zeventien bent!’.
We kregen beiden rooie ogen. In de zijne las ik de lange lastige weg die nog voor hem lag.
Hoe zeg je in één verboden blik van tien seconden: Kom in mijn armen, bange jongen. Ik wil je troosten, je warmen, je de weg wijzen naar het geluk dat jij zoekt, je voeden en beschermen, je laten lachen en bloeien, maar ik mag niet.

‘Wel, hoe oud is hij, vroeg Jorge, ook zeventien zeker?’
‘Neen, deze is zestien’, zei ik.

woensdag 4 februari 2009

Crisis

Geachte,

In de Streekkrant , Regio Vlaamse Ardennen las ik vandaag uw advertentie: ‘DRINGEND! Klassedame gezocht voor lucratieve post in nette zaak. Aziatische afkomst geen bezwaar’.
Ook verleden week en de week dààrvoor en ja zelfs alle weken voordien zag ik uw oproep staan.
Vanwege de dringendheid zit u dus in hoge nood. U heeft nog steeds geen klassedame gevonden, u blijft zoekende. Nu, dat hebben wij dan alvast gemeen want ook ik ben zoekende. Werkzoekend.

Eerst heb ik jaren in de creatieve branche gezocht en soms ook gevonden. In de talen, de beelden, de reclame enzomeer, maar bijzonder creatief ging het daar toen niet echt aan toe. Het was daar een beetje een kleffe boel, een mannenzaak met veel geblaat en weinig wol. Men keek er meer naar je boezem en je kont dan naar je creaties, je durfde je er niet bukken. En dat heb ik toen allemaal met de glimlach opgevangen. Klassedame dus.

In het arbeiderscircuit zat ik meer in mijn element. Men moest er aan de band hartelijk lachen om mijn grappen. Er kon tenminste hartelijk gegrapt worden, dat was een hele opluchting. Men maakte wel schalkse opmerkingen over je boezem maar men kneep niet in je kont. Althans niet in de mijne. ‘Masja, zeiden mijn collega’s, wij knijpen niet in je kont omdat wij je respecteren. Je bent een klassemadam’. Daar hebt u het weer.

Vanmiddag zag ik uw advertentie voor de tiende keer in de Streekkrant staan en ik vroeg aan mijn lief: ‘Lieveling, ben ik een klassedame?’. Ik was de patatten aan het schillen.
Hij kreeg de slappe lach. Ik voelde me daar eventjes onzeker van maar ik lachte mee tot hij helemaal uitgelachen was. Klassedame dus.
‘Koningin op straat, prinses in de keuken, hoer in bed, en daarbij nog verstand, riep hij, helemààl uw profiel!’. En hij kan het weten. Kenner in alle soorten van dames.

Hierbij dien ik mij aan als sterke kandidate voor uw lopende vacature voor klassedame in uw nette zaak.
Bovendien uit de streek, gevaccineerd en in het bezit van rijbewijs B.
Ingesloten mijn curriculum en bewijs van goed gedrag en zeden.

Hopende op ….enz…
Hoogachtend….

Masja Smirnova Smolenskaja

vrijdag 30 januari 2009

IJstijdperk



U merkt het, ik ben weinig met wereldse zaken bezig. Voor commentaar op de wereldproblematiek, voor vraagtekens bij het laatste gedicht van P.V. Hortmans, voor kritiek op de kunstenmaker van de dag, op de moleculaire gastronomie of de botox van Brad Pitt zit u hier op het verkeerde blog. Klikt u rustig verder, bedankt voor uw bezoek en tot ziens misschien.

Ik denk overal het mijne van, dat wel, maar met het mondje dicht. Tuurlijk ben ik blij dat Obama gewonnen heeft. Tuurlijk ben ik boos op de idiotieën der aarde. Maar de buizen zitten al vol met miljarden meninkjes, debatjes over ditjes en datjes, weetjes over snufjes en sterren, en alles loopt nog precies als in het ijzertijdperk. Ik word daar nogal sprakeloos van.
Vanzelfsprekend lopen we niet meer met speren rond te zeulen, we kweken nu ons eigen wild, éérst temmen en dan doden. We dansen niet meer onder de maan, we zingen niet meer voor de zon. We bidden tot iets denkbeeldigs of we spelen zelf voor godje. Niet u en ik, maar die vele anderen.
En wat is het wezenlijke verschil met vroeger? Dat we, om het met enige plastiek te zeggen, gekweekt hebben als de konijnen en straks zullen stikken van de koeienscheten als alle Chinezen met mes en vork gaan eten en bidden voor de dagelijkse steak op hun taloor. Het is hun recht. Het is democratie.
En we leven nu langer. Vooral daar waar er geen oorlog is, daar leeft men langer. Daar heeft men een draaiende economie maar daar klaagt men ook vaker. En terecht, want van een draaiende economie kan je vreselijk duizelig worden. Je botst er ook voortdurend tegen malkander aan, maar je kan er wel sparen voor je pensioen.
Toch zijn er bij ons ook mensen die niet meer aan pensioensparen doen, zoals Sylvain en Monique Vermeulen bijvoorbeeld. Dat komt omdat zij de woorden van Patrick Geryl geloven, die met klem beweert dat de aarde over vier jaar zal vergaan, 21 december 2012, dat zegt hij. Omdat de Maya’s, de Egyptenaren en andere ouwe rakkers het zo in hun kalender hebben opgeschreven.
De aarde zal zich keren, de zeeën zullen 2500 meter stijgen, alle vulkanen barsten uit, de survivors zitten minstens vijf jaar in het donker zonder stroom.
‘Waarom zou je dan nog sparen?’, zegt Sylvain. ‘Mijn vrouw en ik, wij draaien er alles door. Zij heeft haar face- en borstlift afgebeld van zodra we ’t wisten. Met dat geld hebben we een boot gekocht en een lap grond op de Kilimanjaro, de enige veilige plek die nog zal overschieten. Maar of we daar dan zullen geraken? Want met een kompas ben je niks wanneer de aarde van koers verandert. Er komen ook hevige zonnestormen in 2012, dat heeft zelfs de Nasa voorspeld. En van zo’n storm alleen al slaat alles tilt’.

Ik weet wat u denkt. Maar stel nu eens, voor dertig seconden, dat Sylvain een beetje gelijk zou hebben. Dat we over pakweg vijf jaar naar de haaien gaan. Dat alle computergegevens zijn uitgewist, alle boeken en pennen verdronken. Dat we nog met een handjevol mensen op die koude bergtop zitten te bibberen. En dat alles weer van vooraf aan moet beginnen.
Wat hebben we dan nog om ons aan vast te klampen. Wat houdt ons wakker onder de gieren boven ons hoofd. Wat houdt de moed erin. Wat zegt ons dan nog: het moét.

Een goed verhaal toch?

donderdag 22 januari 2009

Puppy Love

Mevrouw Tijgermans zat onverschillig door het raam te staren, zoals zij de laatste dagen al vaker had gedaan. Blik op oneindig, uren lang naar buiten kijken. Die onverschilligheid.
Het was de ganse rotweek al miezerig geweest, geen zak op straat te beleven, de wereld lag er drassig bij. Binnen ronkte de kachel, want kachels kunnen spinnen als poezen maar bij hen heet dat ronken. En op de kachel stond een kippenbouillon te pruttelen die het huis met de geur van vet gevogelte vulde.
Voor het raam, in de kale perzikboom, hingen twee pimpelmezen aan een mezenbol te smullen. Onder de boom tippelde een roodborstje en een dikke merel sloop als een zwarte biljartbal door het natte gras.
De kippenbouillon liep over en siste op de kachel. Maar het deed mevrouw Tijgermans allemaal niets. Alles liet haar koud, het leek op winterdepressie. En achteraf denk je, was het dat maar geweest want winters en depressies zijn dingen die komen en dan weer voorbijgaan.

Ze rekte zich uit en stapte traag van het raam naar de voordeur, van de voordeur naar de achterdeur, van de achterdeur weer naar het raam. Zomaar, zonder iets te zoeken, geen hapje, geen drankje. Doelloos verdwalend in haar gedachten.
Ging er een deur voor haar open dan maakte zij geen aanstalten om naar buiten te glippen. Ze zat daar maar te zitten en begon in zichzelf te praten. Iets wat ze in die acht maanden tevoren nooit eerder had gedaan.
Haar stem klonk hees en slijmerig, ze deed je aan Tina Turner in A Private Dancer denken. En in haar ogen kwam die dromerige mengeling van torment en onbestemd verlangen. Iets religieus, iets opiaat, iets geils. Ze zuchtte geregeld.
Haar zusje Eufraat had allang opgegeven. Ze kwam niet meer vragen van: hey, zullen we iets gezelligs gaan doen? Zullen we nog eens in de linnenkast kruipen en in wat sokken gaan bijten, op het aanrecht springen en aan de borden likken, wat kranten versnipperen of in het bad gaan pissen?
Eufraat hield zich afzijdig. Ze begreep dat ze voor amusement op zichzelf aangewezen was en keek naar haar zus met een blik van: waarom?

En dan is het janken begonnen, dat eeuwige, onuitstaanbare janken, al tien dagen aan een stuk. Om verlossing uit de smart van het verlangen, van niet weten naar wie, naar wat en waarom. Niet weten dat je slechts speelbal bent van hormonale schommelingen en denken dat het aan jezelf, of aan iets hogers ligt. Dames weten wat ik bedoel.
Mevrouw Tijgermans loopt met haar buik over de vloer te schuren, staart omhoog, gat in de lucht. Alles in haar miauwt: help mij, neem mij, vervul mij toch, langs achteren liefst. Hartverscheurend om zien.
En toch wil ze niet naar buiten gaan. Alsof ze weet, als ik gepakt word dan is het gedaan met spelen. Dan ben ik geen poesje meer maar een kattin met liefdesverdriet. Een alleenstaande moeder met gezwollen buik, met katjes, en zorgen over tepelpijnen. Dan is de lol eraf. Dan verdwijnt onschuld en komen universele angst en twijfel.
Het janken begint bij het krieken van de dag, en stopt pas wanneer het laatste licht in huis uitgaat.

O jeugd, o tijd van smarten. Verliefd zijn en niet weten op wie. Van tevoren niet zien wie je zal beminnen. Van voren niet weten wie je langs achteren pakt.

donderdag 15 januari 2009

In de Gloria

Ik kwam eens in het hiernamaals terecht en op het eerste zicht maakte dat hiernamaals een aangename indruk.
Eerst moest je nog even bobslee rijden door een lange zwarte tunnel maar voor je daar kon over jammeren ging het licht aan en landde je netjes in een lumineus winkeltje, waar niets dan smetteloze orde heerste.
Wat meteen in dat winkeltje opviel: ik was er de enige klant, ik zat dus niet in de hel.
In het midden stond mooi centraal een massief eiken toonbank die veel weg had van de commode bij tante Annie die zij dan weer van een geheime minnaar had geërfd, waar ik u verder niets wil over zeggen. En achter die toonbank stond een vriendelijke winkelier in een witte schort te glimlachen. Hij had dan weer iets van mijn grootvader, even zwijgzaam, maar met een beter gebit. Geen vleugels.
“Mooi weer vandaag hé”, zei ik om het ijs te breken, want tenslotte zat je daar voor de eeuwigheid, je kon de toon niet positief genoeg zetten.
“Géén weer, is mooi weer”, glimlachte de winkelier.
Ik keek wat rond en zag aan de linkerkant een muur vol gouden bekers staan, bekers van winnaars, en aan de rechterkant hingen de medailles en de erelinten.
“Interessant, zei ik, zijn die allemaal voor mij?”.
Gezien de omstandigheid een meer dan logische vraag, en een geestige ook want je kunt natuurlijk niet geestig genoeg zijn in de eeuwigheid.
“Inderdaad, sprak de winkelier, die zijn allemaal voor u. U bent hier in de hemel. U kan hier zo vaak u wil naar de trofeeën kijken die u op aarde had willen verdienen”.
Ik nam een beker van een rek en las hardop: ‘Met dank aan martelares Masjenka voor het oplossen van het Irak probleem. Yours Osama&Obama’.
Op een andere beker stond: ‘Voor uw Recept tegen Aids, Kanker en Vogelgriep’. Op een andere: ‘Thanks for Feeding the World’ .
“Deze lijken mij al heel leuk, zei ik, zolang we die martelares maar kunnen schrappen, en die Osama&Obama”.
Er stonden zo wel honderd van die gepersonaliseerde bekers tegen de muur. Voor ‘het Allermooiste Gedicht’, voor ‘het Brengen van Rust&Vrede op Aarde’, ‘het Laten Zien der Blinden’, ‘het Laten Lopen der Lammen’, ‘het Laten Lachen der Bedroefden’, ‘het Afschaffen van Saai Werk’, voor ‘de Uitvinding der Anti-Machtspil’, voor ‘het Temperen der Voortplantingsdrang’, voor ‘Vrolijk Onderwijs’, ‘het Indijken der Tanderosie’ enzovoorts…
“U mag van elk drie stuks kiezen, zei de winkelier, drie bekers, drie erelinten, drie medailles die u overal mag dragen. En voor elk thema houden we om de negen dagen een Applaus Event. Op de dag van de Irakbeker bijvoorbeeld komen duizend Irakezen u bedanken en bezingen. Op de dag van de hongerbeker zijn het voornamelijk de Ethiopiërs, dan komen Sting en Bob Geldof voor u een liedje zingen”.
“Loopt Sting hier ook rond?”.
“Sting komt eraan, voor u het weet, komt hij kwelen. In afwachting moeten de Ethiopiërs het met Pavarotti doen. Maar deze heren hebben al zoveel applaus gekregen dat ze het nu een tijdje zonder kunnen stellen… Heeft u het assortiment erelinten en medailles al bekeken?”.

Ik nam het eerste het beste erelint en las: ‘To Masjenka, the Greatest Lover. From the Boys’.
Ik nam een medaille, die van de Orde der Jeneverbesjes kwam.
“Doe deze alvast in de winkelmand, zei ik, dat worden dan tenminste gezellige applauspartys”.
“Kijkt u eerst toch maar eens rustig rond”, zei de winkelier. “U heeft al de tijd. En vergist u zich niet. Lichamelijk genot valt hier niet meer te beleven, wij hebben geen lichamen meer. Ook vermoeidheid en pijn zijn verdwenen, maar u kan bijvoorbeeld van geen Jenevertje meer genieten. U krijgt enkel applaus. Sommigen raken daar teut genoeg van hoor”.

Ik begon nerveus naar de uitgang te zoeken maar zag er geen. En op dat ogenblik voelde ik een bliksemflits door de winkelvitrine en zag ik een fotograaf, die deze foto nam.

donderdag 8 januari 2009

A West Side Story

Op een dag in december vraagt iemand ‘Ga je mee naar New York?’ en ik zeg stomweg ja. Vraag me niet meer waarom, ’t is al twintig jaar geleden. Oh ja, ik weet het weer, het was een hele mooie jongen die het vroeg.
En daar zaten we dan on Broadway Manhattan in een leeg appartementje van een kennis, en we deden alles wat een jongen en een meisje in Manhattan zoal kunnen doen, behalve aan mekaar likken. Dat deden we dan weer veel te weinig.
Verpletterd worden in de subway, omver gelopen op Time Square door vluchtend schorremorrie, indigestie vreten in Chinatown. Vier dollar betalen voor een fletse Corona, scheldtirades van oververhitte cab drivers ondergaan. Voor een Bakery Store naar gifgroene, cyaankaliblauwe en fluogele taarten staan kijken en naar de verkoopster met het karamelsoezenkapsel, een pièce montée op haar hoofd.
Aanschuiven bij het Moma en bij de conceptuelen in je broek doen omdat je het toilet niet vindt. Dames in bontjas zien paraderen on Fifth Avenue en lijmsnuivende hobo's zien bedelen daar vlak om de hoek. Raquel Welsh op het voetpad kruisen en vaststellen dat ze zelfs op haar haklaarsjes toch wel een zeer klein dametje is. Een musical zien, hard applaudisseren en toch denken: is that all there is?
’s Nachts Vodka bij de Viëtnamees gaan halen want alles blijft open on Broadway en je slaapt toch niet. Overal sirenes die loeien en loeien, a city that never sleeps, en jij ook niet dus.
Een ganse nacht met twee onbetaalbare wijntjes passeren in een jazzclub in Greenwich waar de black waitress veel mooier zingt dan de witte vedette. Toekijken hoe een Japanner in een Lacoste mohairtje de pianist omkoopt. Aanhoren hoe vals hij My Way zingt.
Op een coctail party uitgenodigd worden, chips vreten die je in een marshmallow dip moet doppen, champaign drinken, glimlachen en denken: is that all there is? Maar eerst uren verloren rijden met de taxi om het adres te vinden want de straten van de West Side hebben maar weinig namen. Een brede weg noemen ze daar Broadway, een weg die naast het park loopt is een Park Avenue, maar verder hebben straten er nummers en die nummers moet je duidelijk opschrijven voor in het donker.
En dan zet men je na zo’n party weer bij je building af, je haalt de sleutelbos al uit je jaszak want er zitten maar liefst vijf sloten op die stalen deur van het appartement, dat wordt nog even sleutelen.
Er ligt een dikke zwarte dame in de lift met een selder op haar buik en een bosje prei tussen haar benen. De lift ruikt zwaar naar de drank.
‘Are you all right mam?’, vraag je.
‘I guess I am, reutelt ze, I just keep having this feeling of going up and down’.
Dat is dan de eerste keer in New York dat je moet lachen.

’s Anderendaags, die jongen ziet er al veel minder mooi uit en ik ben een zombie, zegt hij: ‘Laten we vandaag eens naar het vrijheidsstandbeeld varen en eerst even bij het WTC stoppen om naar de bovenste verdieping te gaan’.
‘Vaar jij maar rustig alleen Popeye, zeg ik, ik hoef dat vrijheidsstandbeeld niet te zien en dat hele WTC kan me gestolen worden’.
‘Wat wil jij dan doen?’, vraagt hij met iets dat op verwijt lijkt in zijn ogen.
‘Rusten, zeg ik, een dagje alleen zijn’.
En ook dàt begrijpt hij dan niet.

donderdag 1 januari 2009

Engelenpis

Iedere donderdagavond was er repetitie, en op zondagmorgen zongen we de hoogmis.
Dan stormden we met ons twaalftal, tien jongens en twee meisjes, de sacristie binnen waar onze witte pijtjes hingen en waar de gezegende kast met de miswijn en de hosties stond.
Meestal vergat de koster die kast op slot te doen, een vitale fout, want wij sloegen altijd even goddeloos toe. We namen elk een geut miswijn, die was lekker zoet, en we propten onze mond vol hosties. Ik heb toen zoveel hosties gevreten dat ik levenslang gezalfd ben vanbinnen. Enkel Carla Stockmans en Freddy Verstrepen deden niet mee, die waren van zichzelf al heiliger dan de paus, die kakten wierookwolkjes.
Bartje Bogaerts was zonder twijfel onze leider. Hij verstond Latijn, hij was degene die het meeste durfde, het haantje de voorste, en ik zal het maar meteen toegeven: hij was mijn held en ik zijn heldin, ook al scheelden we aanzienlijk in jaren. Hij was bijna dertien, ik amper negen.
Bartje was lang, mager en bleek en hij had de blik van een ziek vogeltje, een droevige duif. Maar jongens wat een temperament, en wat een stem. Wanneer hij solo zong dan hoorde je geen kuchje meer in de kerk, dan hoorde iedereen een engel zingen. Daardoor maakte hij ons koor beroemd, we traden hier en daar al eens op in een bejaardentehuis of in andere kerken, we kwamen met onze hoogmis zelfs op t.v.
Op een zaterdagmorgen, vlak voor de begrafenis van de burgemeester, we hadden de fles miswijn tot op de bodem leeg getutterd en de kurkentrekker voor de andere flessen was zoek. De burgemeester was al binnengedragen, de koster was al vier keer komen zien waar we bleven, er was paniek. “Zie je wel! Dat is jullie straf”, riep Carla Stockmans. Maar toen schortte Bartje zijn pijtje op, pakte de lege fles en zei “ Ik pis hier wel wat wijn in”. Ik mocht de fles vasthouden.
Voor de consecratie gaf Bartje weer a capella kippenvel met zijn Pie Jésu en wij vielen tweestemmig in.
Meneer pastoor nam de gouden kelk met pis in zijn plechtige handen, hief haar ten hemel en sprak: “Dit is de kelk van mijn bloed, van het nieuwe-en altijddurende verbond, dat voor u en voor velen wordt vergoten tot vergeving van de zonden”.
Het belletje rinkelde. Hij nam een slok, en kuchte. Hij gaf de kelk aarzelend door aan de onderpastoor. Het was nog de tijd waarin de kerk goed boerde en pastoors niet alleen hoefden te drinken achter hun altaar. Wij stonden achter het altaar opgesteld, we konden hun gezichten niet zien, maar zelfs Carla en Freddy kregen de slappe lach.
“Wie heeft dit gedaan!”, brulde meneer pastoor na de dienst in de sacristie. Ik weet wie het níet gedaan heeft, dat zijn Freddy en Carla, maar alle anderen zullen branden in de hel als ze niet opbiechten wie de dader is. Gij Masja, zegt gij mij eens wie het was!”.
Er was geen ontkomen aan. Iémand moest hangen.
“Het was Jezus, meneer pastoor… In de mis hebt ge gepreekt dat we moeten geloven omdat Jezus water in wijn verandert. Misschien wou Jezus eens wijn in water veranderen, en is het een beetje mislukt”.
Je bent heldin of je bent het niet. Bartje keek mij dankbaar aan, met zoveel bewondering in zijn duivenoogjes als ik er nadien nooit meer in een mannenoog heb gezien.

Twee seizoenen later kreeg hij de baard in de keel. Hij zong niet langer als een engel maar als een sterveling.
En vanaf die dag, vanaf die baard in zijn keel wist ik : hij heeft mij niet meer nodig.
Het deed eventjes pijn, maar daarna liet ik hem los, en is hij voorgoed uit mijn hoofd gefladderd.
Nu ja… voorgoed?

Lieve mensen, allemaal liefde en gezondheid toegewenst in het nieuwe jaar!

woensdag 24 december 2008

Me and my Pal

Aan het eind van de kerkstraat, niet ver van de Dender, was er een cinemaatje dat Ciné Albert heette. ’s Winters was het er fris, je hield er beter je mutsje op , maar je kocht toch een zakje ijspralines van het zakgeld dat je op zondag van oma had gekregen. Tien frank voor vijf vanille ijsballetjes in een chocoladejasje, van Artic. Het hoorde erbij.
De verkoopster had een grappig hoedje op en ze lachte altijd. Ze lachte meer dan andere mensen die ik kende en ze stelde je iedere keer voor de fundamentele keuze: ‘mét of zonder nootjes’. Dat waren van die zeldzame seconden dat je eens mócht kiezen en je koos altijd mét, want mét leek méér dan zonder.
We zaten op houten klapstoelen die piepten als je bewoog en het scherm hing boven een podium. Voor het podium hingen twee dikke rode gordijnen en voor die gordijnen stond een houten bakje dat op een radio leek. Daar kwamen de stemmen uit, de reclame voor de ijspralines van Artic, en de muziek.
De lichten gingen uit, gordijnen schoven open, het witte scherm verscheen, en dan gebeurde het. Dan kwam de magie. Je had nog geen besef van goed en kwaad, van slechte en goeie film. Je was gewoon blij dat het doek openging en dat iedereen eindelijk eens zijn snater hield.
Ik weet nog die kerstvakantie dat Sneeuwwitje werd gedraaid. Een zondagnamiddag. Eenmalige voorstelling, er werd allang op voorhand over gepraat in de klas en bij de kruidenier.
Alle kinderen van ons stadje stonden aan te schuiven, het was drummen en duwen aan de kassa, met snotneuzen en sneeuwballen. Madame Albert kreeg een zenuwinzinking achter haar loket en kroop uit haar hokje. “Allemaal éen voor één, schreeuwde ze als een kalkoen, allemaal braaf op het voetpad op een rij! Dat ik geen sneeuwbal meer zie! En zwijgen alstublieft!”.
Het zaaltje barstte van de uitgelaten kinderen, het ging er luid aan toe, maar toen de rode gordijnen openschoven, gebeurde het weer. Stilte, verwachting in de hartjes. En er gebeurde ook iets met mij, iets dat ik nog altijd meedraag.
Het was nog de tijd van de voorfilmpjes. Na het voorfilmpje was er plaspauze en kwam de Artic dame weer. Ik weet niet hoeveel voorfilms ik gezien heb maar die zondagnamiddag, vóór Sneeuwwitje, zag ik voor het eerst in mijn leven den Dikken en den Dunnen spelen en ontdekte ik een gevoel dat ik nog nooit had meegemaakt. Ik moest een half uur lang zo verschrikkelijk lachen dat ik daar een ganse week gelukkig van liep. En alle kinderen in de cinema lachten even hard mee, tranen van het lachen, kaakjes en buikjes deden zeer. Achteraf werd nog lang verteld over het legendarische kindergelach dat te horen was tot voorbij de kerk. Het was een intens gelukkig moment geweest in Dendermonde.

Het leven leidde me ver van Ciné Albert maar ik ben altijd in de buurt blijven hangen van zachtmoedige mensen zonder sterallures die mij doen lachen. En van Stan Laurel en Oliver Hardy, of course.
Twee jaar geleden werden me and my pals, Koen en Yves, lid van ‘Me and my Pal’, de Laurel&Hardy tent in Lede. Daar worden we vier keer per jaar door onze Grand Sheik Mark in de watten gelegd met filmpjes en drankjes tijdens de pauze, met of zonder stukske taart. Met vier keer een tijdschrift in de bus vol foto's en weetjes over onze helden, zelfs een kruiswoordraadsel stelt hij voor ons op, daar heeft hij een speciaal programmaatje voor gekocht. Soms zet hij de grappige fez uit Sons of the Desert op zijn kop.
En daar zitten we dan, vijftig grote kinderen - sommigen helemaal uit Amsterdam - in zaal Intermezzo te wachten op het beginmelodietje. Voor de pauze twee kortfilmpjes, daarna een lekkere lange. Nog altijd legendarisch te lachen. Gedeeld lachen telt in ‘t kwadraat.

“Tell me that again Stanley…”
Well, if you feel you need a laugh, and you are on your own, you better go to a big square room and multiply with many fools on a chair, looking at two other fools, and…

donderdag 18 december 2008

Ruimtetuig

Uit het logboek van kapitein Maggie Mc Telt
Officer in charge van het I.P. Intergalactisch postorderbedrijf
Werkdag 3095

We staan al twee weken in panne op Zeron X en nu ben ik het zat. Geen zak te beleven hier. De planeet heeft dan wel vier zonnen maar ze draait niet, ze is altijd gehuld in een melige zonsondergang, dag en nacht. Dat heeft een irritant effect op de bemanning. Niemand lacht nog. Ze lopen allemaal te mijmeren en te zuchten, Ibsen en Strindberg te citeren. Maak ik daar een grapje over dan staren ze naar de zonsondergang en zuchten ze ‘ach, jij begrijpt het allemaal niet’, of iets van die strekking. Terwijl ik verdorie alles begrijp. Ik lijk hier wel in een eternal Ingmar Bergman film beland.
Daarnet hoorde ik een conversatie tussen onze twee knappe fitness commanders, jongens van wie je denkt dat ze daar toch een beetje boven staan, maar nee hoor. “Was het jou ook al eerder opgevallen hoe oppervlakkig onze kapitein Maggie eigenlijk is?” vroeg de ene, waarop de andere zuchtte: “Ik heb het altijd wel vermoed, maar de laatste dagen valt het meer op ja”.

En dan die Zeroniksers, daar valt helemaal geen planeet mee te bezeilen, laat staan, een kosmos. Zo intellectueel als de pest, maar geenéén die een laserpulsor wil hanteren. Ze kunnen het wel hoor, slim genoeg, maar ze willen niet. Altijd maar klagen over hypersensiviteit, allergieën, dat soort dingen. Laatst zei er eentje dat hij van de laserpulsor nachtmerries krijgt en hij begon er meteen één te vertellen. Een hele lange lugubere met een open einde, terwijl ik me nota bene in ’t zweet te pulseren stond. “Je luistert niet naar me, zei hij, ik kan niet praten tegen iemand die niet naar me luistert”.
Nu ja, hun handen staan ook letterlijk scheef, kleine klauwtjes zijn het nog. En altijd maar dat telepathisch zeuren en zeuren over de zin van alles en niks. Over welke schrijver wat gezegd heeft en waarom. Die ernst mensen!
’t Zijn wel onze belangrijkste afnemers van boeken, dat moet je ze weer aangeven.

Kijk, dat vraag ik me dan af. Hoe komt het dat , in welke galactie je ook komt, de interessantste planeten meestal die zijn waar het boek de chip heeft overleefd? Want hier valt dan wel niks te beleven maar interessant is het wél. En je voelt je hier ook veilig. Voor piraterij is men gewoon te moe.
’t Zijn niet overal boeken van papier, dat spreekt vanzelf. Op Hytopol 3 bijvoorbeeld gebruiken ze QPsç als grondstof voor de drager van de letters. Het boek ruikt daar naar gefermenteerde kippensoep, maar daar hebben ze op Hytopol 3 geen last van want ze hebben er geen neuzen meer. Die zijn er al zo goed als afgeëvolueerd.

dinsdag 16 december 2008

Beste huisbaas,

Al bijna negen jaar betrek ik mijn woning met liefde. Eigenlijk is het uw woning, ik weet het, maar dat is jammer. Want als het mijn woning was dan zou ik vriendelijker met haar omgaan, ook de persoon die haar met liefde betrekt zou ik anders behandelen, maar u bent mij niet. U zou bijvoorbeeld nooit in dit huisje willen wonen omdat u een andere smaak heeft. Liefst van al zou u het met de grond gelijk willen maken en een architectonische vloek in de plaats zetten. Maar daar bent u nog niet aan toe. Eerst moet het huisje nog gemolken worden tot het instort, tot ik instort of vertrek. Want een andere huurder vindt u niet en dat weet u, daar zijn inmiddels wetten voor gemaakt.

Ook de wilde tuin moet verdwijnen. Voor mij en mijn vrienden is deze tuin in de zomer het paradijs op aarde, voor u helaas niets dan een doorn in het oog. Daar moet en zal een gemillimeterd gazonnetje komen waar geen paardebloem of madelief een kans krijgt. Een getrimde buxusbol waarschijnlijk, in de plaats van de lindeboom die in de herfst zijn blaren verliest en oh, wat geeft dat toch een vuiligheid zegt uw vrouw. De perelaar, de pruimelaar, de fluweelboom, de hibiscussen die ik heb geplant , de rozen, ze zullen allemaal verdwijnen omdat ze in een andere orde staan dan de uwe, ze staan de grasmachine in de weg.

Voor de rest ziet alles er hier nochtans precies hetzelfde uit als toen u het van uw kinderloze half-oom hebt geërfd. Van roste Basiel zoals men hem noemt. Wist u trouwens hoe legendarisch hij is? Ik geloof van niet. Wanneer iemand mij vraagt waar ik woon en ik zeg: in het huis van roste Basiel, dan klaren alle gezichten op. Dan gaan er oogjes blinken en raak ik het eerste half uur nog niet weg vanwege zijn fratsen die men perse moet vertellen. Met Pasen bijvoorbeeld verstopte hij geen chocolade eieren in de voortuin maar muntstukken voor de kinderen uit de straat. “Een ei is maar een ei, zei hij, een cent kan er twee worden”.
In die tijd lekte het dak nog niet, stonden er geen schimmels op de muren en waren de elektrische leidingen nog intact. Het regende niet binnen op de schrijftafel, er stond geen schrijftafel, de plaats vanwaar ik u schrijf was toen de slaapkamer waar zijn eerste vrouw, zijn grote liefde Jeanne veel te vroeg gestorven is. U heeft haar nooit gekend.
Ik weet dat het inbeelding is, maar Jeanne en Basiel moeten hier nog ergens rondhangen, in deze kamer, want ik voel mij hier nooit alleen. Ook in de keuken, de woonkamer, mijn slaapkamer, de tuin en de schuur voel ik me nooit alleen. Maar zet mij in een nieuwbouwwoning zelfs tussen dertig mensen en ik voel me alleen. De muren komen op me af, zoals men zegt. Het klinkt daar ook zo hol.

Over een paar maand loopt mijn huurcontract af en u heeft de huur dit jaar niet opgeslagen Ik voel nattigheid. En het is daarom dat ik u schrijf.



zondag 30 november 2008

Het diepe zwijgen

Iedere morgen stopt de witte bestelwagen bij de overburen. Iedere werkdag al vijf jaar lang, op zon-en feestdagen komt hij niet.
De chauffeur belt aan , opent de deur van de laadbak en duwt op een knopje dat de lift activeert, een metalen onderstel waarin een rolstoel past. En dan wordt Kamiel naar buiten gewield, ’s winters helemaal ingepakt als een poolreiziger, ’s zomers in een hemdje. Met stoel en al hijst het knopje hem de laadbak in.
De bestelwagen vertrekt naar het revalidatiecentrum, overbuurvrouw wuift nog eventjes na en ik zwaai eens vanachter mijn raam naar de overkant. Al vijf jaar lang wuift Kamiel terug met zijn linkerarm, de enige waar nog leven in zit.

Onze huizen staan pal tegenover mekaar en in de omtrek staan geen andere huizen, dat schept een band, ook al heb je mekaar verder niet veel te vertellen.
Op een dag was er een windstorm. Er was een wilgenboompje omgewaaid vlak voor mijn hek, ik kon de straat niet meer op want dat boompje was niet te tillen en blokkeerde het hek. En meteen stond Kamiel daar, ongevraagd, en bevrijdde mij met zijn draadloze boomzaag van het wilgenboompje.
Het begon te regenen en we schuilden in de schuur waar ik altijd een bakje bier heb staan.
Ik was hem zo dankbaar dat hij dat voor mij had gedaan, ik zei hem “Kamiel, zonder u had ik het vandaag niet gered en ’t ene plezier is ’t ander waard, hoe kan ik u bedanken?”.
“Ach, daar zijn goeie buren voor” zei hij en hij nam een slokje.
We keken samen solidair naar de regen. Het was de laatste keer dat ik hem hoorde spreken.
Een week later kwam er een klonter in zijn hersens, en een ambulance die hem voor een half jaar naar het ziekenhuis bracht.
Toen hij eindelijk terug naar huis mocht had ik met stoepkrijt “Welkom thuis Kamiel” op het asfalt geschreven, maar we weten niet of hij dat toen heeft gezien. Hij kan nog altijd niet lezen. Niet praten, niet lopen, niet staan. Er zit een sonde in zijn buik die alles in een plastic zakje brengt.
Staat er een zonnetje, dan wordt Kamiel bij de voordeur gezet vanwaar hij naar de wandelaars kan kijken en ook naar zijn tuin die zijn lust was en zijn leven. Soms slaan we dan een babbeltje.
“Ge ziet er goed uit vandaag”.
Kamiel zucht.
“We hebben weer chance met het weer hé”.
Kamiel glimlacht en knikt.
“’t Wordt een goed jaar voor de appels, en de kweepeer staat ook vol bloesems zo te zien”.
Kamiel glundert, likt zijn lippen en wrijft over zijn buik. Hij is dol op kweepeerconfituur.
Maar na de patatten, de spinazie, de bloemkool of prei raken we uitgepraat, dan stokt ons gesprek.
Dan komt het diepe zwijgen.



maandag 24 november 2008

Sneeuwpret

Heerlijke dag vandaag. Nu is hij alweer om, en juist daarom voor herdenking vatbaar.
Overal sneeuw, pakken sneeuw. Zeker vijftien centimeter, tot aan de knietjes van de poezen, zo hoog dus. Nu is de sneeuw weer weg, maar deze middag geen kat op straat, alles wit en stil op een paar slalommende BMW’s en Mercedessen na. Want die zitten met achtertractie, dat glijdt beter.
Vader belt op. Prachtige band hebben pa en ik, wij communiceren met weetjes over stamcelonderzoek, gentechnologie en vooral met moppen. Het doet er niet toe of ze sterk zijn of flauw, de pointe mag slabakken, het gaat om het vertellen.
“Kom straks liever niet op de koffie kind, veel te glad op de baan. Mama zet je stukje taart wel opzij en ik vertel je nu een mop want morgen ben ik ze misschien vergeten”. De mop ging zo:
Een paard wordt ziek. De veearts zegt tegen de boer: “Jef zegt hij, ik vrees dat het hier om het beruchte paardenvirus gaat. Maar ik weet hoeveel dat beest voor u betekent, daarom geef ik het nog een kans. Een paar spuitjes, en staat het overmorgen nog niet te poot dan moet ik het afmaken”.
Het varken van de boer heeft alles gehoord en verwittigt het paard: “Gauw beter worden makker, anders is ’t overmorgen met u gedaan!”.
Twee dagen later ligt het paard nog steeds te kermen en de veearts is al aan ’t parkeren.
“Komààn ouwe jongen, encourrageert het varken, probeer dan tenminste voor een half uurtje recht te staan”.
Paard levert een onmenselijke krachtinspanning en veert recht. De boer is buiten zijn zinnen van geluk en roept: ‘Marie, ’t paard is genezen, dat moeten we vieren! Zet het spit klaar, slijp de messen, ik haal het varken!”.

Ik kijk door het raam naar de sneeuw en krijg kinderlijke gedachten. Ach, die sneeuwmannen, de sneeuwballen uit mijn jeugd, waar zijn zij gebleven? Als ik nu eens die slee uit de schuur haalde en…Ineens wordt er aan de voordeur geklopt, hard geklopt, gebonkt. Te vroeg voor Sinterklaas, te laat voor Sint Maarten, maar een even gekke kwibus klapwiekt in mijn deurgat.
“Madame, ik ben in de gracht geslipt, hier voorbij het bos. Men zegt dat u een Jeepke hebt, als u zo goed zou willen zijn…”.
En zo goed ben ik dan weer om de geslipte medemens uit de gracht te slepen, want wat gij uw naaste aandoet, doet hij aan u.
Ik haal de Spoetnik uit de schuur, mijn groene Lada Niva, uit Siberisch staal gesmeed, toonbeeld van paardenkracht en voorwieltractie.
We rijden probleemloos tot over het bos, ik sleep die auto uit de gracht en al slepend knalt een slippende 4x4 tegen mijn voorkant aan. De 4x4 zit met een stevige deuk, van de Spoetnik zijn enkel de mistlampen stuk.

Iedere dag heeft zijn eigen kleine moraal, verscholen achter onopvallende dingen, maar de moraal van deze winterse dag is zo klaar als een klontje.

zaterdag 15 november 2008

Saps at sea

Zoals iedere dinsdagavond liep ik langs de kade om zaken te doen. Nu doe ik zo’n gevaarlijke dingen niet meer, maar goed, dinsdag was een goeie dag voor zaken want dan meerde de Pravda aan. Niet de krant, de olietanker uit Odessa met zijn achtersteven vol matrozen die popelden naar mijn business.
Knappe jongens waren het, donderse bliksems met spieren en stoppelbaarden, maar helaas, met waardeloze roebels, weinig dollars dus, en een zweetlucht die een revolutie kon doen uitbreken. Daarom verwees ik hen door naar mijn business associates die in mijn kielzog op verdere mijlpalen gezeten snakten naar werk, en naar de Vodka van de matrozen.

Persoonlijk handelde ik liever met de kapitein van de Pravda, Igor Stroganov, en zijn stuurmannen, Sacha Smirnov en Petja Gorbatchov, geen familie van. Zij hielden er, laat ons zeggen, een andere levenshygiëne op na, een gesofistikeerdere manier van zaken doen. Zij dronken Krimchampagne en waren ook muzikaal begaafd, er was altijd iemand van hun drieën die op de balalaïka speelde. Zo heb ik menig droevig Russisch lied leren kennen, zoals dat over de heuvels van Mantsjoerije bijvoorbeeld. Dat lied is zo droevig dat je meteen naar de Vodka grijpt, reclamemensen hadden daar hun slag kunnen mee slaan maar toen mocht dat nog niet, van de partij. En daar had de partij ongelijk. Want nu mag het wél en ziet hoe voortvarend het met Moskou gaat. Maar ik dwaal af.

Die dinsdagavond dus, daar langs de kade, plots een plof in het water en dan niets. Stilte, silencio, ticho vokrug.
In de kapiteinskajuit doe ik weer gouden zaken. Sacha en Petja spelen een balalaïkaduet.
De kapitein knelt ineens mijn handen in de zijne, kijkt diep in mijn ogen en zegt: “Masja, ik moet je iets vragen, iets uit het diepst van mijn hart, iets...iets van levensbelang”.
“Hoho, denk ik, daar heb je het, de communist wil naar het Westen vluchten”.
“Masja, zegt hij en hij knelt mijn handen nog harder, mijn vingertoppen zien wit. “Masjenka moja, we doen nu al zolang zaken samen die ik met niemand anders kan doen, toch niet zoals wij het doen. Ik ben gesteld op je geraakt, daarom valt het mij moeilijk jou dit te vragen. Je weet niet hoé moeilijk. Maar je moet me eerlijk antwoorden ”.
“Vooruit met de geit man, denk ik, stel ze dan je vraag. Maar het antwoord is neen, je komt niet bij mij onderduiken, en neen, geen schijnhuwelijk met jou”.
“Heb je vanavond iets gehoord of gezien Masja?”.
“Ik heb vanavond veel gehoord en gezien, Igor Stepanovitsj Stroganov”.
“Natuurlijk, maar ik bedoel, iets op de kade?”.
“Op de kade heb ik iets in het water horen vallen maar ik kon niet zien wat het was”.
“Dus Masja, je hebt iets horen vallen maar je kon niet zien wat het was?”.
“Neen, het was te donker Igor”.

“Het was het anker, Masja! Heb je mij goed verstaan! Het anker!”.

`

dinsdag 11 november 2008

balleke gehakt

Ik ben een vegetariër in ‘t diepst van mijn gedachten , er zit in ’t binnenste van mijn ziel een boon, voor dieren allerhande. Gewervelde en ongewervelde, zogende en leggende, vegetarische en bloeddorstige, springende dieren, kruipende dieren, blinde en ziende, zwemmers en vliegers: altijd iemands kind. Nog liever kruip ik door het oog van een naald dan op een vijandige kameel te slaan, tenzij het een mug is, of een steekvlieg.
Op rubberen teenslippers en in synthetische schoenen schuifel ik door het leven in hinkstapsprong, om op niemands broeder te trappen, om geen poot aan een moeder te krenken. Ik streel spinnen, ik kus kikkers, help padden oversteken, spalk vleugels, bevrijd vossen uit hun klem, wuif naar schaap en koe vanop de fiets. Ik rijd niet te paard, ik maai geen gras, ik praat met poezen. Ik strem mijn melk met kaasjeskruid, dik mijn pap met agar-agar, bak de friet in plantenvet, rood mijn lippen met bietensap.
Maar passeer ik in de vleesafdeling langs het gemengd gehakt dan voltrekt zich een metamorfose, dan word ik een dorstende tijger, een weerwolf met een winkelkar. Er is geen ontkomen aan want het gehakt paalt pal aan de zuivel, die moet ook worden gekoeld.

’t Is allemaal de schuld van Aimee, de vriendelijke slager uit mijn kindertijd, de tijd waarin verderfelijke verslavingen worden gezaaid.
Aimee droeg een schort waarop een lachend varkentje geborduurd stond en in zijn slagerij hingen tevreden familieportretten. Een gelukkige koe met kalf, een stier met een medaille rond zijn nek, een hen met haar kuikens, een zeug met zuigende biggetjes, en een vredig portret van zijn vrouw met hun tweeling die bij mij in de kleuterklas zat.
Er lagen geen messen, Aimee sneed het ribstuk achter de coulissen en legde het op de weegschaal met een grap. Enkel voor salami en hesp gebruikte hij ter plaatse de snijmachine, maar salami en hesp, dat waren geen dieren meer. Dat waren smakelijke entiteiten, net als gehakt.
Aimee rekende af met de glimlach, moeder betaalde, en terwijl het wisselgeld in haar portemonnee verdween, graaide hij met zijn rozige vingers in de schaal met gehakt en draaide er een balletje van.
“Hier, nog een balleke voor de kleine”, zei hij iedere keer.
Dat was het moment waar ik op wachtte. Mijn moment. De seconde waarin een vrolijke volwassene het woord tot mij richtte en ik een smakelijk balleke kreeg.

Ondanks de ballen werd ik steeds magerder. Ik vrat als een varken maar werd vel over been. Een raadsel voor de medische wetenschap. Tot mijn grootvader zei: “Dat kind heeft een lintworm”.
Toen moest ik een bitter brouwsel drinken en iedereen hield mijn stoelgang in de gaten. Als kind vind je dat niet erg. Het was hem allemaal te doen om de kop van de lintworm, want wormen groeien van zichzelf weer aan zolang je de kop niet mee hebt. Dat heeft de geschiedenis bewezen.Tot drie maal toe reden we van Dendermonde naar Herdersem met een bokaal vol lintworm , want grootvader woonde in Herdersem en hij was een kenner in koppen.

Om een lang verhaal kort te trekken: bioburgers, tofuballen, seitanbroodjes en falafel, ja!
Maar als ik langs het gehakt passeer dan begint mijn hersenstam vreemde sappen te produceren. Dan kom ik thuis, draai een balletje, en denk: ook een lintworm moet leven.

En tot slot: geloof niet alles wat u op het internet over lintwormen leest. Vertrouw op uw eigen werkelijkheid.